Workshopronde 2 – 14.20-15.20 uur

14:20-15:20
21 jun 2019
14:20-15:20

Workshopronde 2 – 14.20-15.20 uur

Schrijfworkshop H&W

Marianne Dees

Hoe maak ik van een lang, Engelstalig, wetenschappelijk artikel een interessant, snel scanbaar en op de gemiddelde huisarts toegespitst nieuwsbericht? Na een inleidende presentatie over schrijven voor een wetenschappelijk tijdschrift zoals Huisarts en Wetenschap, gaan we deze middag vooral veel aan de slag. Hoe schrijf ik een aantrekkelijke tekst? Uit welke onderdelen moet mijn nieuwsbericht bestaan en hoe verzin ik een pakkende kop en lead? In sneltreinvaart behandelen we de do & don’ts voor het schrijven van een nieuwsbericht. Het eindresultaat van deze middag wordt op henw.org gepubliceerd!

Workshop Effectieve consultvoering

Mike Huiskes

Ken je het gevoel van een consult dat eindeloos in een kring ronddraait? En heb je tot nu toe geen idee hoe je daar aan kan ontsnappen? Wij bieden een workshop over effectieve consultvoering. Deze workshop is gebaseerd op analyses van patiëntcontacten van ervaren specialisten en AIOS.  Jullie leren om de rode vlaggen te herkennen wanneer een contact met een patiënt vastloopt en laten jullie kennis maken met de gereedschapskist waaruit jullie kunnen putten om het consult vlot te trekken of, nog beter, niet in dergelijke maalstromen terecht te komen.

Workshop Verhalen van huisartsen

Joost Zaat en Pieter Barnhoorn - Dokters vertellen, de kracht van een verhaal

Niet de stethoscoop, bloedrukmeter of reflexhamer is het instrument  van de huisarts maar de taal. Via taal stelt zij diagnosen, met verhalen geneest ze. Elke dag vertellen dokters elkaar verhalen over bijzondere en minder bijzondere patiënten. Verhalen over context, over de ene clou in het verhaal waardoor de dokter begreep wat er aan de hand was: de oude kat die doodging,  de verloren zoon die terugkwam waardoor een sterfbed opeens beter liep of juist een puinhoop werd. Context valt moeilijk te meten, maar je kunt er prima over vertellen.

We laten (jonge) dokters korte verhalen vertellen. Uit hun hoofd, zonder spiekbriefje, zonder beschermende lessenaar. Open en bloot.

Korte voordrachten

Naomi Minderhout - Zelfverwijzers met laagurgente problemen op de SEH tijdens kantooruren in Nederland Interviews met zelfverwijzers op de DagHAP in twee ziekenhuizen in Den Haag

Achtergrond
Zelfverwijzers dragen bij aan het probleem van drukte op de spoedeisende hulp (SEH) van ziekenhuizen. Om het aantal zelfverwijzers op de SEH in twee Haagse ziekenhuizen te verminderen, is een project gestart waarbij tijdens kantooruren een huisartsenpost (HAP) is geopend, met de naam ‘DagHAP’. Patiënten met laag urgente problemen worden hier door een huisarts gezien. Het doel van deze studie is om inzicht te krijgen in de motieven van patiënten om naar het ziekenhuis te gaan en de barrières van patiënten om overdag naar hun eigen huisarts te gaan met een laag urgente acute zorgaanvraag.

Methode
Er zijn semigestructureerde interviews afgenomen met 44 patiënten bij de twee DagHAP locaties in Den Haag. De topiclist was gebaseerd op het I-Change-model van De Vries et al. Interviews werden letterlijk getranscribeerd en thematisch gecodeerd.

Resultaten
Patiënten gaven meer dan één reden aan om rechtstreeks met hun klacht naar het ziekenhuis te gaan. Informatie- en bewustwordingsfactoren spelen een belangrijke rol omdat er te weinig informatie is over waar patiënten naartoe horen te gaan met een medische klacht. Bovendien gaven veel patiënten meer mogelijkheden in een ziekenhuis, het gemak en de waargenomen medische noodzaak als motivatiefactoren aan. Barrières om naar de eigen huisarts te gaan zijn vooral logistiek; geen huisarts, huisarts ver weg, slechte telefonische bereikbaarheid van de huisarts of een wachtlijst voor een afspraak.

Discussie en conclusie
Informatie- en bewustwordingsfactoren dragen bij aan de misvattingen van de klacht, de huisarts en het ziekenhuis. Omdat er veel motiverende factoren zijn, is de oplossing niet eenduidig. Informatieverspreiding kan echter misverstanden wegnemen en kan ertoe bijdragen dat de juiste zorg voor de juiste patiënt op de juiste plaats wordt verkregen.

Is de studie afgerond?
De interviews zijn in oktober 2018 afgenomen. Het artikel wordt begin 2019 afgerond.

Marco Schreijenberg - Complier Average Causal Effect (CACE) analyse van paracetamol voor lage rugpijn

Inleiding
De PACE trial was de eerste gerandomiseerde gecontroleerde trial die de effectiviteit van paracetamol voor acute lage rugpijn onderzocht. Therapie-ontrouw werd door de onderzoekers van deze studie gezien als een discussiepunt. In tegenstelling tot conventionele statistische methoden kan Complier Average Causal Effect (CACE) analyse betrouwbare benaderingen geven van de effecten van patiënten die therapietrouw waren aan paracetamol.

Onderzoeksvraag
Wat was de effectiviteit van paracetamol voor acute lage rugpijn onder deelnemers die therapietrouw waren aan paracetamol in de PACE-trial?

Methode
Intention-to-treat (ITT), Per-Protocol en CACE analyses warden uitgevoerd voor de uitkomsten pijnintensiteit, ervaren beperkingen, globaal ervaren effect en functie op het tijdspunt van 2 weken follow-up; hierbij werd therapietrouw gedefinieerd als een inname van gemiddeld minstens 4 tabletten (omgerekend 2660 mg paracetamol) per dag tijdens de eerste 2 weken na inclusie in de trial. Voor pijnintensiteit werden verkennende analyses verricht met additionele tijdspunten en definities van therapietrouw.

Resultaat
547 deelnemers waren gerandomiseerd naar de placebogroep en 550 deelnemers naar reguliere paracetamolgroep; van deze laatste groep werd 72% geclassificeerd als therapietrouw op basis van onze definitie. Gestandaarde gemiddelde verschillen (Standardized Mean Differences) in pijnintensiteit tussen paracetamol en placebo op het primaire tijdspunt en met de primaire definitie van therapietrouw waren niet significant (ITT 0.11, p = 0.49; Per-Protocol 0.29, p = 0.12; propensity weighted CACE -0.12, p = 0.51; joint modelling CACE 0.29, p = 0.10); vergelijkbare resultaten werden gevonden voor ervaren beperkingen, globaal ervaren effect en functie en voor additionele tijdspunten en definities van therapietrouw.

Conclusie
Onder therapietrouwe patiënten met acute lage rugpijn had paracetamol geen significant effect op pijnintensiteit in vergelijking met placebo; deze bevinding ondersteunt de conclusies uit de oorspronkelijke analyse van de PACE trial.

Hoe komt context huisarts – patiënt in de presentatie aan de orde?
Deze analyse geeft de huisarts informatie over de effectiviteit van paracetamol in de context waarin patiënten wel of juist niet therapietrouw zullen zijn.

Is de studie reeds afgerond?
Ja.

Is de studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Ja, (Australische eerstelijns populatie).

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen?
Ik hoop de aanwezigen te kunnen informeren over de voor- en nadelen van het uitvoeren van een dergelijke analyse, omdat therapie-ontrouw heel veel voorkomt in klinisch wetenschappelijk onderzoek.

Wendelien van der Gaag - Vijf-jaarbeloop van oudere patiënten met rugpijn in de huisartspraktijk: een prospectieve cohortstudie

Inleiding
Rugpijn is een veelvoorkomende klacht in de huisartspraktijk. Onderzoek focust zich vaak op volwassenen. Daarom is er beperkte kennis over het klachtenbeloop en de prognose van oudere patiënten met rugpijn in de huisartspraktijk. De ‘Back Complaints in the Elders‘ (BACE) studie is een prospectieve cohortstudie, waarbij oudere patiënten (>55 jaar) vijf jaar lang gevolgd zijn nadat zij zich met rugklachten meldden in één van de deelnemende huisartspraktijken in zuidwest-Nederland. Dit is de eerste studie naar ouderen met rugpijn in een eerstelijnssetting met lange-termijn follow-up.

Onderzoeksvraag
Hoe is het vijf-jaarbeloop en wat is de medische consumptie van oudere patiënten (>55 jaar) met rugpijn in de huisartspraktijk?

Methode
Patiënten >55 jaar die hun huisarts bezochten met een nieuwe rugpijn-episode, werden geïncludeerd tussen 2009 en 2011. Follow-up vragenlijsten (driemaandelijks in het eerste jaar, daarna jaarlijks t/m het vijfde jaar) bevatten onder meer vragen over pijn (numerical rating scale, 0-10), fysiek functioneren (Roland-Morris Disability Questionnaire, 0-24), kwaliteit van leven, ervaren herstel en medische consumptie (o.a. huisartsbezoek, fysiotherapie, medisch specialist, medicatiegebruik, bloedonderzoek, röntgenfoto’s of CT/MRI).

Resultaten
675 patiënten werden geïncludeerd (gemiddelde leeftijd 66.4 (SD±7.6)). De gemiddelde rugpijn verminderde in 3 maanden follow-up van 5.2 (SD±2.7) naar 3.6 (SD±2.8; NRS); het fysiek functioneren verbeterde van 9.8 (SD±5.8) naar 7.8 (SD±6.2; RMDQ). Na zes maanden stabiliseerden deze waarden en dit bleef zo gedurende vijf jaar. Medische consumptie was het hoogst in de eerste maanden; (pijn)medicatie werd door 72% gebruikt op baseline. Ongeveer 1/3e (25-39%) blijft over de jaren (pijn)medicatie gebruiken. Na vijf jaar was 43% hersteld van zijn/haar rugklachten. Het merendeel rapporteerde echter persisterende/recidiverende pijn.

Conclusie
Het vijf-jaarbeloop van een cohort van ouderen met rugpijn laat zien dat rugpijn bij ouderen in de eerste maanden een zelfde patroon volgt als (jongere) volwassenen wat betreft pijnvermindering en (initieel) herstel. Het laat echter ook zien dat – ook na lange tijd – de meerderheid van de patiënten persisterende of recidiverende rugpijn ervaart. De belangrijkste verbeteringen in pijnvermindering en functioneren werden gezien in de eerste 3-6 maanden. Helaas raakt een meerderheid van de patiënten niet volledig pijnvrij, en verbetert dit niet in de loop van vijf jaar. Ondanks de persisterende/recidiverende pijn keren de meeste patiënten echter niet terug bij de huisarts met hun (aanhoudende) rugklachten. Ze raken uit zicht van de huisarts, maar houden wel pijnklachten. Rugpijn wordt dus mogelijk veel vaker dan wij denken een recidiverende/chronische aandoening.

Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
Het huidige beleid in de huisartspraktijk sluit wellicht onvoldoende aan bij wat oudere patiënten met rugpijn nodig hebben. Dit is de context huisarts-patiënt die ik in de presentatie zou willen benoemen.

Reeds afgerond?
Ja.

Uitgevoerd in huisartsenpopulatie?
Ja.

Vraag voor feedback
Herken je dit fenomeen? Welke strategieën zouden ons als huisartsen kunnen helpen om deze patiënten beter te herkennen en ‘in zicht’ te houden? En hoe zouden we deze patiëntengroep beter kunnen helpen?

Annemarie Rausch - De aanpassing van echtparen aan de dementie van één van de partners en de gevolgen van de individuele adaptatieprocessen van beide partners op hun relatie: een kwalitatieve studie

Inleiding
Dementie veroorzaakt progressieve cognitieve en emotionele veranderingen in het leven van mensen met dementie en hun partners. Mensen met dementie en hun partners staan voor de complexe taak zich aan deze veranderingen aan te passen en deze in hun leven te integreren.

Onderzoeksvraag
Wat zijn de gevolgen van de individuele adaptieprocessen van beide partners op de relatie van echtparen waarbinnen een van de partners dementie heeft?

Methode
Aan deze studie deden 18 echtparen mee (leeftijd 67-88 jaar), waarvan één van de partners een beginnende dementie heeft (score op Reisberg GDS van 2 of 3). Met behulp van semigestructureerde interviews met open vragen zijn de partners apart van elkaar geïnterviewd, in hun eigen woonomgeving. Voor de codering en analyse van de 36 diepte-interviews hebben we een framework methode gebruikt.

Resultaat
Zowel de deelnemers met dementie als hun partners ervaren het aanpassen aan dementie als een complex en persoonlijk proces, waarbij ze geconfronteerd worden met individuele uitdagingen en obstakels. Deelnemers met dementie ervaren vooral de confrontatie met hun onvermijdelijke toekomst van cognitieve achteruitgang als een moeilijke uitdaging. Voor hun partners is het vooral moeilijk als de partner met dementie ontkenning en vermijding als coping strategie gebruikt. Als binnen de relatie de wederkerigheid vermindert, dan ontstaan gevoelens van eenzaamheid.

Conclusie
Mensen met dementie en hun partners worden gedurende hun adaptatieproces geconfronteerd met verschillende persoonlijke uitdagingen. Zowel individueel als gezamenlijk werken partners aan het integreren van de cognitieve, emotionele en sociale gevolgen van de dementie in hun leven en het accepteren van een onvoorziene toekomst.

Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
In de discussie zal ingegaan worden op de implicatie van dit onderzoek: het is voor huisartsen belangrijk te weten dat de dynamiek in de relatie die in dit onderzoek beschreven wordt voor kan komen bij deze echtparen. Als huisarts zijn zij de eersten die daar voorlichting over kunnen geven en echtparen kunnen begeleiden of doorverwijzen. Zij hebben dus een rol in het signaleren van eventuele strubbelingen op dit gebied.

Is de studie reeds afgerond?
Ja.

Is de studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Ja, uitgevoerd in huisartsenpopulatie.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Ik ben benieuwd naar de ervaringen van de aanwezigen met de beschreven problematiek en welke mogelijkheden en beperkingen zij zien ten aanzien van het signaleren van mogelijke problemen bij echtparen.

Thom Bongaerts - Optimalisatie van de bevolkingsonderzoeken in Den Haag: een Population Health Management benadering

Inleiding
In Nederland zijn er drie oncologische bevolkingsonderzoeken (OBVO’s), namelijk die naar cervix-, borst- en colorectaal kanker. Alle drie de OBVO’s hebben een eigen opzet en organisatie. Hierin speelt de huisarts telkens een andere rol. Uit de literatuur is bekend dat er grote verschillen zijn in opkomst tussen regio’s en subpopulaties in Nederland. De opkomstcijfers in de vier grote steden behoren tot de laagste in Nederland.

Onderzoeksvraag
Wat zijn de karakteristieken van verschillende opkomstgroepen per OBVO in de regio Den Haag en hoe verhouden deze zich tot kenmerken elders in het land? Welke karakteristieken, contextfactoren en (praktijk-) populatiekenmerken zijn geassocieerd met opkomst voor de respectievelijke OBVO’s? Zijn er verschillen in kanker specifieke risico’s voor de verschillende opkomstgroepen?

Methode
Retrospectief dataonderzoek middels gekoppelde gegevens uit het huisartseninformatiesysteem, van het BVO Zuid-West en van het Integraal Kankercentrum Nederland. Determinanten en uitkomsten van deelnemers worden vergeleken met die van niet-deelnemers en die van cases met niet-cases.

Resultaten
De eerste resultaten zijn de opkomstcijfers over 2016. In Den Haag waren deze 45.5%, 63.3% & 57.9% voor respectievelijk het BVO naar cervix-, borst- & colorectaal kanker. Op nationaal niveau lagen deze cijfers op 60.3%, 77.3% & 73.0%. Zowel de opkomstcijfers in Den Haag als op nationaal niveau laten een dalende trend zien.

Beschouwing
Gegeven het feit dat er 3 nationale oncologische OBVO’s zijn zullen wij als Nederland moeten nadenken over hoe we deze zo optimaal mogelijk kunnen inrichten. De huidige cijfers laten zien dat de opkomst voor een stad als Den Haag suboptimaal zijn. Middels een Population Health Management benadering pogen wij de niet-deelnemers die tevens een verhoogd risico hebben op de ontwikkeling van een OBVO-specifieke maligniteit te identificeren. Hiervoor zijn kwantitatieve analyses noodzakelijk. Nadien zullen opmaat gemaakte optimalisatiemethodes voor de huidige OBVO’s kunnen worden onderzocht met én voor specifieke subpopulaties.

Hoe komt context huisarts-patiënt aan de orde?
Bij huisartsen leeft het idee dat de OBVO’s waardevol zijn, maar dat deelnemers over het algemeen à priori géén verhoogd risico lopen op de ontwikkeling van een van de OBVO-specifieke maligniteiten, terwijl het omgekeerde geldt voor de niet-deelnemers.
Daarnaast is de rol van de huisarts over de afgelopen jaren veranderd. In vervolg onderzoek zal de optimale rol van en voor de huisarts per OBVO onderzocht worden.

Is studie reeds afgerond?
Nee.

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Ja. Bovendien is de screeningspopulatie onderdeel van de huisartsenpopulatie.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Welke ervaringen zijn er met het koppelen van datasets? Wat zijn de do’s en don’ts? Wat zijn de ideeën die er leven over (niet)deelnemers aan de OBVO’s? Wat voor rol zien de (aspirant)huisartsen voor zich ten aanzien van de OBVO’s?

Tjitte Verbeek - The use of oximetry and a questionnaire in primary care enables safe exclusion of a subsequent obstructive sleep apnea diagnosis

Inleiding
Obstructive sleep apnea (OSA) is a common sleep disorder that causes patients to stop breathing during sleep. Diagnosis and treatment of OSA requires specialized care that is generally only available in sleep clinics. In the Netherlands, the number of referrals to sleep clinics for OSA approached 100.000 in 2017 and has increased rapidly. However, of all patients referred, up to 30% eventually does not have OSA upon final poly(somno)graphy. Therefore, a strategy to increase the pre-test probability in the general practice was desired.

Onderzoeksvraag
We hypothesized that overnight oximetry alone, or combined with a previously published questionnaire in a two-step strategy, could be used to safely rule out OSA in patients visiting their general practitioner with potentially OSA-related complaints, thereby reducing the number of patients requiring referral for sleep testing.

Methode
A total of 140 subjects with suspected OSA were included from 54 participating primary care practices in the Netherlands. All subjects completed the Philips questionnaire and underwent one night of oximetry prior to referral to a sleep center, the so-called OSAsense strategy. The prognostic value of two strategies was evaluated against the diagnosis of the sleep center as the gold standard: 1) assume OSA and subsequently refer to a sleep center if the oxygen desaturation index (ODI) is ≥ 5; and 2) assume OSA and refer to a sleep center if the Philips questionnaire score is ≥ 55% (regardless of the ODI), or if the Philips questionnaire score is < 55% and the ODI is ≥ 5.

Resultaat
OSA was diagnosed in the sleep centers in 100 (71%) of the included subjects. Using ODI ≥ 5 alone resulted in a sensitivity of 99.0%, a specificity of 50.0%, a negative predictive value of 95.2%, and a positive predictive value 83.2%. Using the two-step strategy, oximetry would be performed on 39% of the subjects. This strategy resulted in a sensitivity of 100%, a specificity of 35.0%, a negative predictive value of 100%, and a positive predictive value of 79.4%.

Conclusie
The use of oximetry alone or combined in a two-step strategy with a questionnaire using OSAsense in primary care enables safe exclusion of a sleep center diagnosis of OSA.

Hoe komt context huisarts – patiënt in de presentatie aan de orde?
The researched ‘OSAsense strategy’ (both the oximetry as well as the questionnaire) may be used in primary care practices. OSAsense is already implemented in several general practices in both Twente as well as Groningen. During the presentation, we will discuss the study as well as the implementation process in these regions.

Is studie reeds afgerond?
Yes

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Yes

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Feedback regarding implementation of the OSAsense strategy in other regions in the Netherlands.

Voordrachten 1 – Engels

Danny Claessens - Ziektelastmeter COPD tijdens het consult/COPD-patiënt samen met zorgverlener aan het roer

Inleiding
De ziektelastmeter is een instrument bestaande uit een korte gevalideerde vragenlijst en een aantal objectieve parameters, die samen de integrale gezondheidstoestand van de COPD-patiënt visueel weergeven en waarmee behandelopties worden aangedragen. Het is een zeer bruikbaar instrument in de dagelijkse COPD zorg die zelfmanagement van de COPD-patiënt bevordert en de zorg daarmee patiëntgerichter maakt.

Onderzoeksvraag
Beoordelen van het effect van de ‘Ziektelastmeter COPD’ op de ziekte specifieke kwaliteit van leven bij patiënten met COPD.

Methode
Dit betrof een cluster gerandomiseerd onderzoek in 39 Nederlandse huisartsenpraktijken en 17 ziekenhuizen bij 357 patiënten met COPD. De interventie groep maakte gebruik van de ziektelastmeter en de controlegroep van gebruikelijke zorg. In totaal werden de patiënten 18 maanden gevolgd. De primaire uitkomstmaat was het aantal patiënten met een klinisch relevante verbetering op de ziekte specifieke kwaliteit-van-levenvragenlijst, de St George’s Respiratory Questionnaire (SGRQ). Secundaire uitkomstmaten waren onder andere de SGRQ-totaalscore en de ‘Patient assessment of chronic illness care’(PACIC)-score.

Resultaat
Na 18 maanden was er een statistisch significant en klinisch relevante toename in de SGRQ-score bij 49 patiënten (34%) in de interventiegroep en bij 33 patiënten (22%) in de controlegroep (oddsratio: 1,85; 95%-BI: 1,08-3,16). Patiënten in de interventiegroep ervoeren een hogere kwaliteit van zorg dan die in de controlegroep (verschil in PACIC-score: 0,32; 95%-BI: 0,14-0,50).

Beschouwing
De Ziektelastmeter COPD kan tijdens het consult als instrument worden gebruikt om de gezondheidstoestand van de patiënt in kaart te brengen en te monitoren en zodoende de patiënt te begeleiden in het maken van een individueel zorgplan. Dit leidt tot een toename van de ziekte specifieke kwaliteit van leven en een hogere kwaliteit van zorg.

Dennis Muris - Gebruik van e-meedenkconsulten interne geneeskunde door huisartsen General practitioner use of internal medicine e-consultations

Inleiding
Intercollegiaal overleg tussen huisarts en specialist over een bekende patiënt gebeurt traditioneel telefonisch. Telefonische consultatie over een onbekende patiënt bij een niet spoedeisende vraag van de huisarts kan beperkingen geven; contact op een ongeschikt moment, soms niet met de juiste specialist en onvolledige informatie over reeds verrichte diagnostiek door de huisarts. Bij het nieuw opgezette e-meedenkconsult interne geneeskunde kan de huisarts de expertise van een internist inwinnen met een patiënt gerelateerde klinische vraag.

Onderzoeksvraag
In deze studie evalueren we voor welke klinische vragen huisartsen e-meedenkconsulten interne geneeskunde inzetten en welk deel van de patiënten waarbij de huisarts gebruik maakt van een e-meedenkconsult alsnog naar de polikliniek interne geneeskunde wordt verwezen binnen drie maanden.

Methode
We includeerden voor deze observationele studie alle patiënten waarbij de huisarts een e-meedenkconsult interne geneeskunde in het Zuyderland M.C. Sittard-Geleen inzette in 2017. Patiënten mochten niet onder behandeling zijn bij de internist voor de aandoening waarvoor het e-meedenkconsult werd ingezet. We legden de patiëntkarakteristieken, het onderwerp en de klinische vraag van het e-meedenkconsult en eventueel eerdere door de huisarts verrichte diagnostiek vast. We categoriseerden het antwoord van de internist, inclusief de eventuele verwijsaanbeveling. We extraheerden hiervoor de diagnosebehandelcodes uit het ziekenhuisinformatiesysteem om te bepalen of de patiënt binnen 3 maanden na het e-meedenkconsult was verwezen.

Resultaten
Van de 428 patiënten waarbij de huisarts een e-meedenkconsult heeft ingezet, werden 89 (20,8%) patiënten binnen 3 maanden alsnog doorverwezen naar de tweedelijn voor de aandoening of vraag waarover het e-meedenkconsult ging. De alsnog verwezen patiënten verschilden niet qua geslacht of leeftijd van niet-verwezen patiënten. Van de 131 huisartsen in de Westelijke Mijnstreek, maakten 107 (82,3%) tenminste één keer gebruik van het e-meedenkconsult, waarbij de klinische vragen alle deelgebieden van interne geneeskunde betroffen (endocrinologie 27,1%, nefrologie 24,3%, hematologie 22,7%, MDL 14,7% en algemeen interne 11,2%). In 401 (93,7%) van de e-meedenkconsulten had de huisarts al enige vorm van aanvullende diagnostiek verricht.

Conclusie
Huisartsen gebruikten e-meedenkconsulten interne geneeskunde voor een groot scala aan vragen over alle deelgebieden van de interne geneeskunde. De huisarts kon 79,2% van de patiënten waarbij een e-meedenkconsult werd ingezet verder behandelen. E-meedenkconsulten tussen huisarts en specialist geven de gelegenheid voor een planbaar digitaal overleg, inclusief uitwisseling van uitslagen van eerder verrichte aanvullende diagnostiek. Tevens borgt het de verslaglegging van het overleg in zowel het dossier van de patiënt bij de huisarts alsook het ziekenhuisdossier. Nader prospectief onderzoek moet uitwijzen of implementatie van e-meedenkconsulten het aantal polibezoeken kan verminderen.

Request for feedback
Heeft uw al eerder ervaringen met deze vorm van consultatie naar de medisch specialist?
Verwacht u dat de e-meedenkconsulten landelijk bijdragen aan een versterking van de eerstelijn en aan lagere zorgkosten?

Marianne Heins - Opsporen van patiënten met multimorbiditeit met een complexe zorgbehoefte in de huisartsenpraktijk

Achtergrond
Het aantal mensen met meer dan één chronische ziekte (multimorbiditeit) neemt toe. Hun ondersteuningsbehoeften varieren sterk. Door patiënten met multimorbiditeit met een complexe zorgbehoefte te identificeren kan de huisarts hierop proactief beleid kan inzetten. Bijvoorbeeld door patiënten uit te nodigen voor een gesprek over hun behoeften, en samen met hen passende zorg en ondersteuning te regelen.
Om deze patiënten te kunnen identificeren onderzocht het Nivel voorspellers van suboptimale uitkomsten bij mensen met multimorbiditeit. Mensen met dergelijke uitkomsten hebben waarschijnlijk het meeste baat bij een proactief beleid. Als voorspellers is er gekeken naar de complexiteit van gezondheidsproblemen en functionele beperkingen. Maar ook naar eigen ideeën over aandoeningen (“ziektepercepties”) en persoonlijke hulpbronnen, zoals aanwezige mantelzorg en gezondheidsvaardigheden.

Onderzoeksvragen
Kunnen suboptimale uitkomsten bij patiënten met multimorbiditeit worden voorspeld op basis van:
Informatie geregistreerd in het EPD (bijvoorbeeld het type of aantal chronische aandoeningen, het aantal huisartscontacten of voorgeschreven medicijnen)?
Informatie over de ziektepercepties van patiënten en hun persoonlijke hulpbronnen?

Methode
Voor onderzoekvraag 1 werden EPD gegevens uit Nivel Zorgregistraties van mensen met twee of meer chronische aandoeningen geselecteerd. Vervolgens werden deze binnen de beveiligde CBS omgeving gekoppeld aan hun DBC declaraties. Uitkomsten waren een hoog aantal huisartscontacten, SEH bezoek en een ongeplande ziekenhuisopname.
Voor onderzoeksvraag 2 werden longitudinale enquêtegegevens geanalyseerd van 601 patiënten met multimorbiditeit uit 40 huisartspraktijken in Nederland. Deze patiënten vulden in 2016 enquetes in over hun ziektepercepties (Brief Illness Perception Questionnaire) en persoonlijke hulpbronnen (o.a. sociale steun, financiële middelen, gezondheidsvaardigheden, mentale gezondheid) en in 2017 over hun kwaliteit van leven (EQ-5D-5L) en zorggebruik.

Resultaten
Van de onderzochte informatie aanwezig in het EPD bleek het aantal huisartscontacten in 2012 de beste voorspeller voor een groot aantal contacten in 2013. Ziektepercepties en persoonlijke hulpbronnen waren vooral van voorspellende waarde voor een slechte kwaliteit van leven en niet zozeer voor een groot of suboptimaal zorggebruik (e.g. contacten met de praktijk, de huisartsenpost, ongeplande ziekenhuisopnames).

Conclusies
Mensen met multimorbiditeit die een grote kans hebben op toekomstig frequent contact met de huisartsenpraktijk kunnen worden geïdentificeerd op basis van hun eerdere aantal contacten met de praktijk. Om mensen met een grote kans op een slechte kwaliteit van leven te identificeren kan een kort screeningsvragenlijstje (zeven vragen) worden gebruikt. Een belangrijk inzicht uit dit onderzoek is dat mensen die regelmatig gezien worden in de huisartsenpraktijk voor een groot deel niet dezelfde mensen zijn die een slechte kwaliteit van leven ervaren, contact opnemen met de huisartsenpost of ongeplande ziekenhuisopnames hebben.

Huisarts-patiënt-context
Er is gekeken naar ziektepercepties en persoonlijke hulpbronnen.

Studie reeds afgerond?
Nee

Uitgevoerd op basis van huisartsendata?
Ja, Nivel Zorgregistraties

Wat wil je terugkrijgen?
Wijst frequent huisartscontact op onvervulde zorg-/ondersteuningsbehoeften?
Is het nuttig om patiënten met een slechte kwaliteit van leven te identificeren en contact met hen op te nemen?
Is het mogelijk om de ziektepercepties en hulpbronnen regelmatig te exploreren?

Shelley-Ann Girwar - First Use of a Population Health Management Strategy in Dutch Primary Health Care Gebruik van een populatiegerichte strategie in Nederlandse eerste lijn

Inleiding
De huidige Nederlandse gezondheidszorg is haar focus steeds meer van ziekte georiënteerde naar populatiegerichte strategieën aan het richten. De Nederlandse eerste lijn is zodanig ingericht dat iedere burger bij een huisartsenpraktijk geregistreerd staat. Dit biedt de unieke mogelijkheid voor populatiegerichte aanpakken middels het gebruik van huisartsen registraties. De Adjusted Clinical Groups (ACG) methodiek wordt wereldwijd gebruikt voor populatiegerichte analyses betreffende verwacht zorggebruik zowel op het moment van analyse als voorspellend voor de toekomst.
Echter, de ontwikkeling van de ACG is niet gebaseerd op Nederlandse data. Voor grootschalig gebruik van de ACG in de Nederlandse eerste lijn, is het noodzakelijk dat de ACG methodiek gevalideerd wordt voor de Nederlandse situatie.
In dit paper laten wij resultaten zien van een eerste gebruik van de methodiek in Nederlandse huisartspraktijken.

Methode
De onderzoekspopulatie voor deze studie bestond uit 26.306 individuen geregistreerd bij vijf deelnemende Nederlandse huisartspraktijken.
De uitgevoerde ACG analyses zijn gebaseerd op historische eerstelijns diagnose en farmaceutische gegevens afkomstig uit de huisartsenpraktijk over het jaar 2014.

Resultaten
The ACG software onderscheid zes verschillende zorggebruik klassen, de Resource Utilization Bands (RUB’s). Binnen de onderzoekspopulatie vielen 226 individuen in de klasse met het hoogste verwachte zorggebruik. De RUB-klassen correspondeerden met het werkelijke zorggebruik in de vorm van het aantal huisartsconsulten.
Met behulp van de ACG software hebben wij een populatie indeling gemaakt. De twee grootste ACG categorieën betroffen (1) personen boven de 34 jaar met 2-3 diagnoses en (2) personen boven de 34 jaar met 6-9 diagnoses, waarvan maximaal één ernstige diagnose. De tweede groep kwam als verassing voor de lokale huisartsen wat leidde tot een gedetailleerdere analyse.
Vervolgens werd een analyse van de groep overgebruikers, de groep met meer dan 40 huisartsconsulten per jaar, uitgevoerd. Hieruit bleek dat bijna de hele groep overgebruikers gediagnostiseerd waren met depressie

Conclusie
De resultaten van deze studie laten zien dat de ACG methodiek een bruikbare tool is voor stratificatie van eerstelijns populaties in Nederland. De beschikbare data was echter niet toereikend voor validatie van de risico functies van de ACG software. Verder onderzoek ter validatie van deze risicofuncties is nodig. Als vervolg op deze studie wordt een uitgebreid validatieonderzoek van de voorspellende risicofuncties van de ACG software uitgevoerd in vier Nederlandse eerstelijns populaties.

Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
De ACG methodiek is voor de huisarts een tool om gerichtere zorg aan zijn of haar patiënten te kunnen leveren.

Is studie reeds afgerond?
Deze studie is reeds afgerond. Naar aanleiding van deze studie wordt met vier zorggroepen in vier verschillende regio´s in Nederland een vervolgstudie opgezet en uitgevoerd.

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
De gegevens die gebruikt zijn voor deze studie zijn afkomstig uit het huisartseninformatiesysteem.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Welke mogelijkheden ziet u in uw huisartsenpraktijk voor het gebruik van een dergelijke tool? Hoe zou een dergelijke tool gebruikt kunnen worden ter verbetering van de zorg?

Voordrachten 2

Rick van Uum - Effectiviteit van een scholing voor huisartsen, gericht op pijnbestrijding bij kinderen met otitis media acuta: een cluster randomised controlled trial

Inleiding. Oorpijn is vaak het prominente symptoom van otitis media acuta (OMA). Internationale richtlijnen adviseren daarom goede pijnstilling te geven aan kinderen met OMA. In de praktijk geven huisartsen echter niet altijd duidelijke adviezen over pijnstilling, waardoor kinderen onnodig oorpijn kunnen houden, hetgeen kan leiden tot onnodige herconsulten en antibioticavoorschriften.

Onderzoeksvraag. Leidt een scholing voor huisartsen, gericht op pijnbestrijding bij kinderen met OMA, tot een afname in oorpijnscores, vergeleken met standaard zorg?

Methode. Tussen februari 2015 en mei 2018 voerden wij een pragmatische, clustergerandomiseerde studie uit in 37 praktijken door heel Nederland (interventie n=19; controle n=18). 83 huisartsen en 11 huisartsen-in-opleiding includeerden 224 kinderen met OMA (interventie n=94; controle n=130). Huisartsen in de interventiepraktijken kregen een ‘blended learning’ aangeboden (online training en praktijkvisite). De interventie leerde huisartsen om, aan de hand van een informatiefolder, pijnbestrijding tot in detail te bespreken met ouders, én de pijnmedicatie (paracetamol en zo nodig ook ibuprofen bij onvoldoende effect van paracetamol alleen) ook voor te schrijven, gedoseerd op gewicht. Huisartsen in de controlepraktijken boden gebruikelijke zorg. De primaire uitkomstmaat was de gemiddelde oorpijnscore (schaal 0-10) gedurende de eerste drie dagen, zoals gerapporteerd door ouders.

Resultaten. Van 209 kinderen (93.3%) beschikten we over primaire uitkomst data. De gemiddelde oorpijnscore gedurende de eerste drie dagen was gelijk in beide groepen (4.66 versus 4.36; gecorrigeerd verschil -0.05, 95%-betrouwbaarheidsinterval (BI) -0.93 tot 0.83), terwijl het gebruik van pijnstillers, voornamelijk ibuprofen, in deze dagen hoger was in de interventiegroep. Kinderen in de interventiegroep kregen bij het eerste consult minder antibiotica (gemiddeld aantal 0.23 versus 0.39; gecorrigeerde rate ratio (aRR) 0.66, 95% BI 0.43 tot 1.03), maar aan het eind van 28 dagen follow-up was dit aantal gelijk (gemiddeld aantal 0.43 versus 0.47; aRR 0.97, 95%BI 0.68 tot 1.38). Kinderen in de interventiegroep gingen vaker terug naar de huisarts vanwege OMA-gerelateerde klachten: gemiddeld aantal herconsulten 0.70 versus 0.41 (aRR 1.73, 95%BI 1.14 tot 2.62). Overige secundaire uitkomstmaten waren niet verschillend.

Conclusie. Een scholing voor huisartsen, gericht op pijnbestrijding bij kinderen met OMA, leidde er weliswaar toe dat ouders hun kind meer pijnstilling gaven, in het bijzonder ibuprofen, maar had geen lagere oorpijnscores tot gevolg. Derhalve adviseren wij ibuprofen niet routinematig toe te passen in de behandeling van OMA totdat toekomstige studies duidelijk aantonen dat de voordelen tegen de eventuele nadelen opwegen.

Request for feedback. Hoe interpreteren huisartsen de studie en hoe gaat dit hun beleid bij otitis media acuta beïnvloeden (of waarom niet)

Chantal Leemrijse - Krachtige basiszorg rondom ouderen in Utrecht Overvecht Powerful basic care for the elderly in Utrecht Overvecht

Inleiding
In de Utrechtse wijk Overvecht is ruim 15% van de bewoners 65+. Deze ouderen hebben vaak verschillende medische aandoeningen en een deel van hen is ook kwetsbaar in psychische en sociaal-economische zin. De huisarts ziet dus veel ouderen met problemen die niet alleen medisch zijn op te lossen. Daarom zijn vaak ook andere hulpverleners betrokken bij de zorg en is onderlinge afstemming belangrijk. In Overvecht werken huisartsen, praktijkondersteuner ouderenzorg, buurtteam en wijkverpleging samen in Krachtige Basiszorg en gebruiken daarbij het 4Domeinen (4D)-model. Dit model ondersteunt de interactie tussen huisarts en patiënt doordat het model niet alleen aandacht besteedt aan de fysieke en psychische problematiek, maar ook expliciet in gaat op de sociaal-maatschappelijke context van de patiënt. Zo wordt inzichtelijk welke andere zorg- en hulpverleners bij de oudere betrokken moeten worden.

Onderzoeksvraag
Hoe verloopt de samenwerking tussen huisarts en overige zorgverleners die betrokken zijn bij ouderzorg, wat gaat goed en wat kan (nog) beter?

Methode
Interviews en focusgroep met huisartsen, praktijkverpleegkundige ouderen, wijkverpleegkundigen en buurtteammedewerkers in Overvecht, betrokken bij de ouderenzorg.

Resultaat
Wat gaat goed
In de wijk Overvecht kunnen huisartsen, praktijkondersteuner ouderenzorg, buurtteammedewerkers en wijkverpleging elkaar steeds beter vinden door vaste fysieke ontmoetingsmomenten. Met vaste regelmaat worden casuïstiekbesprekingen rondom ouderen georganiseerd. De casussen worden aan de hand van het 4D-model besproken door de aanwezige praktijkverpleegkundige ouderen, wijkverpleegkundige(n), buurtteammedewerker(s), en eventueel ook specialist ouderengeneeskunde, waardoor zij elkaar en elkaars expertise goed leren kennen. Wijkverpleegkundigen hebben vaste overlegmomenten met de praktijkverpleegkundige en/of huisartsen, en ook buurtteammedewerkers hebben structureel contact met huisartsenpraktijken. De praktijkverpleegkundige ouderenzorg speelt hierin een belangrijke rol.

Wat kan beter
De terugkoppeling van informatie tussen de verschillende zorgverleners is nog niet optimaal. Patiënten vinden terugkoppeling ook niet altijd prettig, zeker niet wanneer het wijkteam voor sociale en maatschappelijke problemen betrokken is. Het vraagt uitleg aan patiënten waarom het belangrijk is dat informatie door het wijkteam met de huisarts gedeeld wordt. Het 4D-model kan dan helpen om aan de patiënt uit te leggen dat bijvoorbeeld schuldenproblematiek ook invloed op de gezondheid heeft, en het dus relevant is dat de huisarts dit weet.

Conclusie
Doordat huisarts en overige zorgverleners elkaar regelmatig ontmoeten kennen zij elkaar persoonlijk en elkaars expertise, en is het gemakkelijk om de samenwerking te zoeken wanneer de problemen van de patiënt en zijn omgeving daar om vragen. Het 4D-model is hierbij behulpzaam en maakt de zorg voor deze kwetsbare groep patiënten eenvoudiger te regelen voor de huisarts, en beter van kwaliteit.

Hoe komt context huisarts – patiënt aan de orde?
Krachtige basiszorg kenmerkt zich door expliciete aandacht van (o.a.) huisarts voor de context van de patiënt

Is studie reeds afgerond?
Ja

Is studie uitgevoerd o.b.v. huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
De gepresenteerde studie is afgerond en vond plaats in de wijk Overvecht, met verschillende zorgverleners binnen en buiten de huisartsenpraktijken

Wat wil je vragen aan de aanwezigen?
Uitwisseling van ervaringen met praktijkondersteuner ouderenzorg en met de hier gepresenteerde vaste, fysieke ontmoetingsmomenten en overleg vormen. Wat werkt goed, en wat werkt minder?

Erik Stolper - Het vermoeden op kindermishandeling in de huisartsenpraktijk: hoe komt het tot stand en wat gebeurt er daarna?

Inleiding
Kindermishandeling is een wijdverspreid fenomeen, komt in alle landen en culturen voor en blijft onontdekt in 90% van de gevallen. 80% van de gerapporteerde gevallen van kindermishandeling betreft emotionele verwaarlozing. In Nederland zijn 118.000 kinderen (3% van alle kinderen) jaarlijks slachtoffer van kindermishandeling, resulterend in jaarlijks 50 doden. Huisartsen rapporteren slechts 1-3% van alle gevallen van kindermishandeling aan het Meldpunt Veilig Thuis (VT). Onbekend is waarom huisartsen zo weinig melden. Daarom onderzochten wij ervaringen van huisartsen met kindermishandeling. De studie is afgerond.

Onderzoeksvraag
Hoe ontstaat het vermoeden op kindermishandeling in het diagnostisch denkproces van huisartsen? Wat doen huisartsen met dit vermoeden en welke moeilijkheden ervaren zij?

Methode
Kwalitatieve onderzoeksmethodiek: in 4 focusgroepen namen 26 huisartsen (16 vrouwen) deel aan het onderzoek. De huisartsen kwamen uit heel Nederland, werkten in de stad of op het platteland en verschilden in praktijkervaring. NVivo werd gebruikt voor thematische inhoudsanalyses van de uitgetypte focusgroepinterviews.

Resultaat
Het vermoeden op kindermishandeling werd getriggerd door een niet-pluis gevoel, een idee dat er iets niet klopte in het verhaal, een vreemde klacht of opvallend symptoom of een ongemakkelijk aanvoelende observatie in de spreekkamer. De verdenking op kindermishandeling maakte de onderzochte huisartsen alert op andere signalen, deed hen meer en andere vragen stellen en leidde tot gerichter lichamelijk onderzoek van het kind. De contextuele kennis van de huisarts was belangrijk in de afweging kinderhandeling of niet. Gevallen van seksueel misbruik of lichamelijk geweld werden door de deelnemende huisartsen gemeld aan VT maar er werd niet frequent gemeld. De huisartsen signaleerden regelmatig kinderen van goedwillende ouders met weinig opvoedkundige vaardigheden en/of in sociaaleconomisch moeilijke omstandigheden, leidend tot emotionele verwaarlozing of lichamelijke problematiek. Gebruikmakend van de arts-patiënt relatie bouwden de huisartsen een steunend netwerk van eerstelijns professionals op rond zo’n gezin om de situatie te verbeteren. Soms werd een kinderarts geconsulteerd voor meer diagnostische duidelijkheid. De onderzochte huisartsen worstelden met vragen als ‘hoe ga ik om met een verschil in mijn waarden en normen over opvoeding en die van ouders?’ en ‘wanneer mag ik een melding niet langer uitstellen, al gaat dat ten koste van de vertrouwensrelatie?’ Soms dreigden zij ouders met een VT-melding als zij hun aanpak niet verbeterden. De deelnemende huisartsen vonden dat zij alert waren op het signaleren en aanpakken van kindermishandeling maar vertelden ook over gemiste casuïstiek. De waardering voor VT liep nogal uiteen.

Conclusie
Een hele reeks triggers waaronder het niet-pluis gevoel, leidt tot het vermoeden kindermishandeling en nader onderzoek. Het lage percentage meldingen van huisartsen aan VT betekent niet dat zij kindermishandeling weinig opmerken. Het overgrote deel van kindermishandelingscasuïstiek betreft emotionele verwaarlozing waar huisartsen, gebruikmakend van de arts-patiënt relatie en met hulp van regionale professionals, proberen de opvoedingssituatie te verbeteren, in eerste aanleg zonder betrokkenheid van VT.

Request for feedback
Wat betekenen onze resultaten voor de samenwerking tussen huisartsen en Veilig Thuis?

Nynke Koning - Identificatie van kinderen met een verhoogd risico op psychische problemen in de eerste lijn- ontwikkeling van een voorspellend model op basis van routinezoekdata

Inleiding
Psychische problemen (PP) bij kinderen zijn veelvoorkomend en hebben vaak langdurige effecten. Ondanks dat kinderen regelmatig door een eerstelijns professional gezien worden, wordt bijna de helft van de kinderen met PP niet herkend. Vroege identificatie van deze problemen is de eerste stap om ervoor te zorgen dat vroegtijdige behandeling kan worden gestart om zo het risico op latere problemen te verkleinen.

Onderzoeksvraag
Welke bij de huisarts bekende factoren dragen bij aan het voorspellen van het 1-jaarsrisico van kinderen op het ontwikkelen van een eerste psychisch probleem?

Methode
Populatie-gebaseerde cohortstudie met direct beschikbare anonieme routinezorggegevens uit de elektronische medische dossiers van 76 huisartsenpraktijken in de regio Leiden. We hebben alle patiënten van 1-21 jaar op 31 december 2016 zonder eerdere PP meegenomen. Multilevel logistische regressieanalyses werden gebruikt om het 1-jaarsrisico op een eerste geregistreerd PP te voorspellen in de leeftijdsgroepen 0-3 jaar, 4-11 jaar en 12-19 jaar. Potentiële voorspellers waren kenmerken gerelateerd aan het kind, het gezin en het zorggebruik. De discriminatie en kalibratie van de modellen werden bepaald.

Resultaten
Een psychisch probleem was geregistreerd in 30.9% van de 78 776 kinderen. Leeftijd onafhankelijke voorspellers waren een aangeboren afwijking, eerdere somatische klachten zoals buikpijn en hoofdpijn, chronische ziekten en het meer dan tweemaal bezoeken van de huisarts in het afgelopen jaar of het niet hebben ondergaan van een bloedonderzoek in het afgelopen jaar. Andere (effecten van) voorspellers verschilden tussen leeftijdsgroepen. De discriminatie van de modellen was matig (c-statistiek 0.63-0.64), de kalibratie was goed.

Conclusie
Deze studie is een eerste stap in het ontwikkelen van een voorspellend model voor het identificeren van kinderen met een verhoogd risico op PP gebaseerd op direct beschikbare gegevens uit het huisartsendossier. Dataverrijking met informatie uit andere bronnen bijvoorbeeld over schoolprestaties en familiehistorie zouden het model kunnen verbeteren. Verder onderzoek is nodig voor externe validatie van de modellen en of we inderdaad de onder-herkenning van PP kunnen verbeteren.

Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
Huisartsen zien voornamelijk kinderen die met of zonder ouders komen met een specifieke probleem terwijl er mogelijk ook andere problemen spelen. Uit onderzoek blijkt dat PP bij kinderen niet altijd herkend worden in de eerste lijn. Wij hebben een voorspellend model ontwikkeld dat het risico op het ontwikkelen van PP inschat o.b.v. beschikbare patiëntgegevens, inclusief beschikbare informatie over de context van het kind.

Is studie reeds afgerond?
Ja.

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Ja, gebruik is gemaakt van huisartsendata.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen?
Wat is er nodig om de identificatie van PP bij kinderen in de eerste lijn te verbeteren? Wat is voor u de meerwaarde van het ontvangen van informatie van de jeugdarts en welke informatie zou bruikbaar zijn?

Voordrachten 3

Lenny Noordermeer - Over-the-counter en voorgeschreven pijnmedicatie onder ouderen: gebruik en documentatie in elektronische patiënten dossiers

Inleiding
Veel ouderen gebruiken pijnmedicatie. Een deel hiervan bestaat uit over-the-counter(OTC)-medicatie. Deze OTC-medicatie is effectief, maar heeft ook serieuze bijwerkingen. Juist bij ouderen met complexe problematiek kunnen deze bijwerkingen tot problemen leiden. Echter, uit eerder onderzoek blijkt dat artsen vaak niet op de hoogte zijn van het gebruik van OTC-medicatie door patiënten.

Onderzoeksvraag
Wat is het gebruik van OTC-pijnmedicatie en voorgeschreven pijnmedicatie onder patiënten van 80 jaar en ouder in de huisartspraktijk? Zijn er verschillen tussen gebruikers van OTC-pijnmedicatie en voorgeschreven pijnmedicatie? Hoe vaak zijn het gebruik van OTC-pijnmedicatie en voorgeschreven pijnmedicatie en (negatieve) effecten hiervan gedocumenteerd in de elektronische patiëntendossiers (EPD’s)?

Methode
Voor deze cross-sectionele studie in 56 huisartspraktijken werden gegevens gebruikt van de ISCOPE follow-up studie. Informatie over patiëntkarakteristieken en gebruik van OTC-pijnmedicatie (afgelopen 14 dagen) door deelnemers werd verkregen middels vragenlijsten. Recepten (afgelopen 3 maanden) en consultverslagen (afgelopen jaar) werden verkregen uit EPD’s. De consultverslagen werden volledig gelezen en consulten met documentatie over pijnmedicatiegebruik en effecten hiervan werden genoteerd.

Resultaat
Van de 482 geïncludeerde ouderen (66% vrouw) gebruikte 63% pijnmedicatie in de afgelopen twee weken; 28% alleen OTC-pijnmedicatie, 27% alleen voorgeschreven pijnmedicatie en 8% beide. Ouderen benoemden een breed scala aan OTC-producten als pijnmedicatie. Paracetamol (OTC én voorgeschreven) werd het meest gebruikt, het gebruik van OTC NSAID’s was laag (1%). Het gebruik van pijnmedicatie was gedocumenteerd in het EPD van 35% van de gebruikers van OTC-pijnmedicatie, bij 52% van de gebruikers van voorgeschreven pijnmedicatie en bij 77% van de gebruikers van beide (P<0.001). De consultfrequentie van gebruikers van OTC-pijnmedicatie was lager dan van gebruikers van voorgeschreven pijnmedicatie of gebruikers van beide soorten pijnmedicatie. Het aantal patiënten met gedocumenteerde negatieve effecten van OTC-pijnmedicatie was laag (n=2).

Conclusie
Een kwart van de ouderen van 80 jaar en ouder blijkt actueel OTC-pijnmedicatie te gebruiken. Bij twee-derde van deze ouderen staat dit gebruik in het afgelopen jaar niet vermeld in het EPD van de huisarts. Hierdoor kan de huisarts de effecten en bijwerkingen van deze medicatie niet betrekken in de behandeling.

Vragen
Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
In deze studie hebben wij de communicatie over pijnmedicatie tussen huisartsen en patiënten getracht te onderzoeken door de consultverslagen van de huisartsen in de elektronische patiëntdossiers te bekijken.

Is studie reeds afgerond?
Ja.

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Ja (beide).

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Hoe zou het gebruik van OTC-pijnmedicatie en communicatie hierover het best in kaart gebracht kunnen worden? Hoe zou in de praktijk de communicatie over het gebruik en negatieve effecten van OTC pijnmedicatie geoptimaliseerd kunnen worden?

Henk van der Worp - Voorspelt intrinsieke motivatie van huisartsen voor wetenschappelijk onderzoek het succes van rekrutering?

Inleiding
Onderzoek in de eerste lijn wordt vaak belemmerd door tegenvallende rekrutering, zeker wanneer incidente patiënten gerekruteerd moeten worden. Dit kan leiden tot lage power, verlenging van inclusieperioden en zelfs voortijdige beëindiging van projecten. In de literatuur ontbreken verklarende factoren en verbeteringsstrategieën, aangezien rekruteringsproblemen nog steeds veelvuldig een belemmering vormen voor eerstelijnsonderzoek. Intrinsieke motivatie is een matige tot sterke voorspeller van prestaties in het algemeen en speelt daarom mogelijk een rol in het inclusieproces.

Onderzoeksvraag
Is de intrinsieke motivatie van huisartsen voor wetenschappelijk onderzoek van invloed op rekruteringssucces?

Methode
Wij voerden een vragenlijstonderzoek uit onder huisartsen die als rekruteerder hadden deelgenomen hadden aan een van de volgende studies: PIM-POM of PRICE (UMCU), RAPIDA (MUMC), of URinControl (UMCG). De vragenlijst bevatte vragen over intrinsieke motivatie voor rekrutering en de gevalideerde verkorte Utrecht Work Engagement Scale (UWES-9) voor het werk als huisarts en de taak als rekruteerder. Wij definieerden rekruteringssucces als ≥3 inclusies per huisarts, zoals geregistreerd door de lokale onderzoekers. Logistische regressieanalyse werd gebruikt om voorspellende factoren te identificeren.

Resultaten
Van de 256 huisartsen die wij uitnodigden retourneerden 113 (44%) een complete vragenlijst. Het invullen van deze vragenlijst was sterk geassocieerd aan inclusiesucces (OR 2.4, 95% CI [1.4 – 4.0]). UWES scores, algemene motivatie voor wetenschappelijk onderzoek en actieve deelname aan wetenschappelijke onderzoek waren niet gerelateerd aan inclusiesucces.
Wel gerelateerd waren interesse in het onderzoeksonderwerp (OR 2.0, [1.2 – 3.4]) en betrokkenheid van assistenten (OR 1.7, 95% CI [1.0 – 2.8]).

Conclusie
Algemene motivatie voor het vak als huisarts en deelname aan wetenschappelijk onderzoek bleken in dit onderzoek niet gerelateerd aan rekruteringssucces. Interesse in het onderwerp was dat wel. Ondanks deelname van vier grote studiegroepen was het aantal deelnemende huisartsen te klein om sterke conclusies te trekken.

Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
Dit onderzoek is een eerste stap in het ontwikkelen van een screeningtool om vooraf inclusiesucces van individuele huisartsen te bepalen. Hiermee kan het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek verbeterd worden, waardoor uiteindelijk betere evidence-based zorg verleend kan worden in de spreekkamer.

Is studie reeds afgerond?
Ja

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
De studie is gebaseerd op data verzameld van en over huisartsen.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Hoe zou intrinsieke motivatie van huisartsen voor wetenschappelijk onderzoek beter gemeten kunnen worden dan met proxy vragen en de UWES-9?
Zou het interessant zijn om te onderzoeken of de intrinsieke motivatie van de POH gerelateerd is aan inclusiesucces?
Andere hypothesen in het verlengde van dit onderzoek?

Lisette van den Bemt - Astma-COPD-overlap syndroom in de huisartenpraktijk: kunnen de diagnoses astma en COPD geverifieerd worden aan de hand van informatie uit het medisch dossier?

Inleiding en onderzoeksvraag
Astma en COPD zijn twee chronische luchtwegaandoeningen die vaak samen voorkomen bij een patiënt. Dit wordt ook wel het astma COPD overlap syndroom (ACOS) genoemd. Wij onderzochten in hoeverre de diagnoses astma en COPD geverifieerd kunnen worden aan de hand van informatie uit het medisch huisartsendossier van ACOS-patiënten.

Methode
In 2017 heeft dossieronderzoek plaatsgevonden in 12 huisartsenpraktijken in de regio Oost-Brabant. Bij ACOS-patiënten uit deze praktijken werd op gestructureerde wijze de gedocumenteerde astma- en COPD-kenmerken geïnventariseerd. Op basis van richtlijnen, wetenschappelijke publicaties en een expertcommissie is een beslisboom opgesteld waarmee bepaald werd of op basis van de beschikbare informatie een diagnose astma en COPD geverifieerd kon worden.

Resultaten
De prevalentie van ACOS was 0,4% in de huisartsenpraktijk. 13,3% van de COPD-patiënten waren tevens gediagnosticeerd met astma. 132 dossiers van ACOS-patiënten werden geanalyseerd. Beide diagnoses konden geverifieerd worden in 32 dossiers (24,2%). Daarnaast bevatte 45,4% (n=60) van de dossiers aanwijzingen voor zowel een diagnose astma als COPD. COPD kon vaker geverifieerd worden dan astma (respectievelijk 75,8 en 32,6%). Indien astma gediagnosticeerd was voorafgaande aan de diagnose COPD dan was de kans dat voldoende informatie in het dossier gevonden werd om de diagnose astma te verifiëren ongeveer twee keer zo groot (46,2% versus 23,6%, p=0,03).

Conclusie
ACOS kon in circa één op de drie patiënten in de huisartsenpraktijk niet geverifieerd worden, veelal omdat er onvoldoende aanwijzingen waren voor de diagnose astma. Dat kwam vaker voor als de diagnose COPD als eerste was gesteld.

Hoe komt context huisarts – patiënt in de presentatie aan de orde?
De context heeft een grote invloed op de gevonden resultaten en is een centraal discussiepunt. Waarom besluit een huisarts om astma of COPD te diagnosticeren terwijl de gedocumenteerde gegevens daar geen aanleiding toe geven? Dat heeft waarschijnlijk alles met de context van doen en waarschijnlijk ook de kaders waarbinnen een huisarts moet opereren binnen de zorg.
Deze studie is gebaseerd op huisartsengegevens en is afgerond. Ik hoop met het aanwezige publiek deze resultaten te bediscussiëren en meer inzicht te krijgen in mogelijke beweegredenen om met name tot een diagnose astma te komen bij gebrek aan gedocumenteerd bewijs. Ongetwijfeld leidt dat tot de discussie hoe we in wetenschappelijk onderzoek meer grip kunnen krijgen op de context.

Jonathan Bogaerts - Stopcriteria voor statines: wat staat er in de internationale richtlijnen?

Inleiding
Statines worden veelvuldig en vaak levenslang voorgeschreven ter preventie van hart- en vaatziekten (HVZ). Met het stijgen van de leeftijd (met name > 80 jaar) neemt de gezondheid af en doen nieuwe problemen zich voor. Bij artsen en patiënten leeft de vraag of, en zo ja wanneer statines gestopt kunnen/moeten worden op oudere leeftijd.

Onderzoeksvraag
Het doel van dit onderzoek is tweeledig.

  1. Om een inzicht te krijgen in de stopcriteria van statines bij ouderen in de huidige richtlijnen over algemene cardiovasculaire preventie.
  2. Een overzicht te creëren van specifieke aanbevelingen over de behandeling met statines bij ouderen.

Methode
Wij hebben een systematische search verricht in Pubmed, EMBASE, EMCARE en aanvullend in vijf verschillende online evidence-based richtlijnen databases (SIGN, NGC, GIN, CPC en UpToDate). Inclusie criteria waren: Engelstalige richtlijnen voor algemene preventie van HVZ die stopcriteria voor statines bevatten en van toepassing zijn op ouderen, gepubliceerd tussen januari 2008 en april 2018. In januari 2019 werd gezocht naar updates van de geïncludeerde richtlijnen. In de geïncludeerde richtlijnen hebben we ook naar specifieke aanbevelingen voor statinegebruik bij ouderen gezocht en deze samengevat middels informatie synthese. De kwaliteit van de richtlijnen werd met het AGREE II instrument beoordeeld.

Resultaat
Van de 31 geïncludeerde richtlijnen met adviezen over statines bevatten er 16 algemene stopcriteria. Deze stopcriteria konden in 3 groepen worden ingedeeld: 1) bij spierklachten, 2) bij verhoging van de levertransaminasen, 3) bij contra-indicaties. Geen van deze stop criteria waren specifiek benoemd voor ouderen. Veertien van deze 16 richtlijnen bevatten 1 of meer aanbevelingen over statine behandeling bij ouderen, meestal in algemene termen geformuleerd, zoals ‘houd rekening met de veranderende farmacokinetiek bij ouderen’ of ‘weeg de voor- en nadelen van statine behandeling tegen elkaar af’. Volgens de AGREE criteria waren 11 van de 16 richtlijnen van een redelijke tot goede kwaliteit.

Conclusie
Slechts circa de helft van de Engelstalige richtlijnen ter preventie van HVZ bevatten stopcriteria voor statinegebruik. Geen van de stopcriteria zijn specifiek voor ouderen. Wel bevatten de meeste richtlijnen algemene aanbevelingen voor de behandeling met statines maar deze zijn slechts afwegingsrichtingen en concrete gronden voor besluitvorming missen.

Vragen voor de aanwezigen
Wat is voor u een stopcriterium bij ouderen?