Poster- en laptoppresentaties

21 jun 2019
10:45-11:30

Poster- en laptoppresentaties

Posterpresentaties

Lotte Firet - E-health voor urine-incontinentie

Inleiding
Stress urine-incontinentie is een veelvoorkomend probleem onder vrouwen met een grote potentiële impact op de kwaliteit van leven. Ondanks effectieve behandelingen, zoals bekkenbodemspieroefeningen, komt een minderheid van de vrouwen met deze klacht bij de huisarts. E-health biedt de mogelijkheid om meer vrouwen van hulp te voorzien omdat het laagdrempelig is. E-health met bekkenbodemspieroefeningen bleek uit Zweeds onderzoek een effectieve en laagdrempelige methode te zijn om urineverlies te verminderen of te stoppen. Vrouwen kregen bij deze training in acht modules verschillende bekkenbodemspieroefeningen aangeleerd zonder face-to-face contact met een hulpverlener. Met de Nederlandse versie van deze interventie, Baas over je blaas, wordt momenteel onderzocht wat de acceptatie is onder Nederlandse vrouwen met stress urine incontinentie. Echter van e-health is bekend dat drop-out een probleem is. Daarnaast is adherentie bij bekkenbodemspieroefeningen een uitdaging en is deze bovendien afhankelijk van bijvoorbeeld kennis en cognitieve vaardigheden. Om te bestuderen welke factoren in de context van de patiënt een rol spelen bij het doorlopen van e-health voor stress urine-incontinentie werd een casestudie opgezet. Het doel hiervan is om met deze kennis de interventie te optimaliseren om hiermee het succes van de behandeling te vergroten.

Onderzoeksvraag
Welke factoren spelen een rol bij het doorlopen van een e-healthinterventie voor vrouwen met stress urine-incontinentie?

Methode
In deze vergelijkende casestudie zullen vier vrouwen drie keer geïnterviewd worden gedurende hun deelname aan ‘Baas over je blaas’. Deelnemers aan de interventie hebben allen stress urine-incontinentie en zijn ouder dan 18 jaar. Voor deze casestudie selecteren wij vrouwen met variatie in leeftijd en de impact van urine-incontinentie. De interviews zijn semi-gestructureerd en worden verbatim getranscribeerd. Het Internet Intervention Model en bekende factoren bij de adherentie van bekkenbodemspieroefeningen zullen de basis vormen voor de analyse van de transcripten waarbij de cases met elkaar vergeleken worden.

Resultaat
De studie is in januari 2018 gestart en tijdens de NHG-Wetenschapsdag zullen de eerste resultaten getoond worden.

Conclusie
E-health zal een steeds grotere rol gaan spelen in de patiëntenzorg en in de huisartsenpraktijk. Een behandeling via internet voor vrouwen met stress urine-incontinentie is effectief gebleken en wordt in Nederland momenteel onderzocht. Het van belang om inzicht te hebben in alle factoren die in de context van de patiënt een rol spelen bij het doorlopen van een e-healthmodule voor stress urine-incontinentie om zodoende het behandeleffect te vergroten.

Komt context huisarts – patiënt in de presentatie aan de orde?
Ja

Is studie reeds afgerond?
Nee.

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Nee.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Wat zijn volgens het publiek belangrijke factoren die een rol spelen bij de adherentie aan bekkenbodemspieroefeningen in combinatie met e-health. Hoe denken aanwezigen over de positie van e-health voor urine-incontinentie in de huisartsenpraktijk.

Marian van den Brink - Kosteneffectiviteit van een strategie startend met het levonorgestrel afgevend spiraal (MirenaⓇ) versus endometrium ablatie voor de behandeling van hevig menstrueel bloedverlies

Inleiding
Hevig menstrueel bloedverlies (HMB) heeft niet alleen een belangrijke invloed op de kwaliteit van leven van een vrouw, het gaat ook gepaard met kosten voor de samenleving door zowel directe medische kosten als indirecte kosten door arbeidsverzuim. Een kosteneffectieve behandeling is daarom van belang.

Onderzoeksvraag
Wat is de kosteneffectiviteit van een behandelstrategie startend met het levonorgestrel afgevend spiraal (LNG-IUD) versus een strategie startend met endometrium ablatie (EA) bij vrouwen met HMB?

Methode
Een kosteneffectiviteitsanalyse vanuit maatschappelijk perspectief naast een multicenter gerandomiseerde non-inferioriteitstrial. Vrouwen met HMB, ≥ 34 jaar zonder intracavitaire pathologie of kinderwens, werden gerandomiseerd voor behandeling met het LNG-IUD (n=132) of EA (n=138). Tijdens de follow-up mochten zij nieuwe interventies ondergaan. De primaire uitkomstmaat was bloedverlies na 24 maanden (gemiddelde Pictorial Blood Assessment Chart (PBAC) score) met een non-inferioriteitsmarge van 25 punten. Directe medische kosten en (in)directe niet-medische kosten en de incrementele kosteneffectiviteitsratio (ICER) werden berekend voor beide strategieën.

Resultaten
Na 24 maanden was de gemiddelde PBAC-score 64,8 in de LNG-IUD-groep (N = 115) en 14,2 in de EA-groep (N = 132); gemiddelde verschil: 50,5 punten (95% BI: 4,3 – 96,7). De totale kosten na 24 maanden waren €2.285 in de LNG-IUD-groep en €3.465 in de EA-groep. Het verschil in kosten was – €1.180, met een ICER van €23 (95% BI: €5 – €111).

Conclusie
We vonden een gering verschil in effectiviteit ten nadele van de strategie startend met het LNG-IUD. De strategie startend met het LNG-IUD was goedkoper dan de strategie startend met EA. In vergelijking met EA is het LNG-IUD een reversibele en minder invasieve behandeling voor vrouwen met HMB en het kan ook een kosteneffectieve behandeling zijn op de middellange termijn (24 maanden). Het is belangrijk om vrouwen met HMB voor te lichten over de gevonden verschillen tussen de beide behandelingen. Daarnaast is het belangrijk om te kijken naar mogelijkheden om de kosten van behandeling te verlagen, door bijvoorbeeld frequentere behandeling middels EA op de polikliniek en frequentere behandeling middels het LNG-IUD in de huisartsenpraktijk.

Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
In het belang van gedeelde besluitvorming in de spreekkamer, waarbij de huisarts uitleg geeft aan de patiënt over de verschillen in behandelopties van HMB, zodat de patiënt een geïnformeerde keuze kan maken.

Is studie reeds afgerond?
Ja, studie is afgerond.

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Patiënten konden zowel via de huisartsenpraktijk als de polikliniek Gynaecologie worden aangemeld voor het onderzoek.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
In hoeverre behandelt u patiënten reeds met het LNG-IUD voor HMB?
Acht u zichzelf voldoende op de hoogte van de verschillende behandelopties voor HMB om uw patiënt adequaat voor te kunnen lichten, zodat zij een afgewogen beslissing kunnen nemen?
Beïnvloeden de uitkomsten van deze studie uw huidige handelen in de praktijk?

Marco Schreijenberg - Aanbevelingen uit klinische richtlijnen voor de farmacologische behandeling van aspecifieke lagerugpijn in de eerste lijn - is er verandering nodig?

Inleiding
Pijnstillers worden vaak voorgeschreven aan patiënten met lage rugpijn. Om doelmatige behandeling te bevorderen, wordt voor de behandeling van lage rugpijn gebruik gemaakt van klinische richtlijnen. Hoewel deze richtlijnen gebaseerd zijn op dezelfde bewijsstukken uit de medische literatuur, zitten er opvallende verschillen tussen de richtlijnen uit verschillende landen.

Onderzoeksvraag
Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen aanbevelingen voor niet-invasieve farmacologische behandeling van lage rugpijn uit recente eerstelijns klinische richtlijnen uit verschillende landen en hoe verhouden deze aanbevelingen zich tot de best beschikbare informatie over effectiviteit van medicijnen?

Methode
In deze review werden aanbevelingen geïncludeerd over opioïden, niet-steroïdale anti-inflammatoire medicijnen (NSAID’s), paracetamol, antidepressiva, anti-epileptica en spierrelaxantia uit nationale eerstelijns klinische richtlijnen die gepubliceerd werden na 1 januari 2016. Voor enkele medicatiegroep werd de meest recente systematische review geïncludeerd als de best beschikbare informatie over de effectiviteit van medicatie en over veel voorkomende bijwerkingen.

Resultaat
8 recente nationale klinische richtlijnen warden geïncludeerd in deze review (uit Australië, België, Canada, Denemarken, Duitsland, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten). Alle richtlijnen zijn in toenemende mate voorzichtig in hun aanbevelingen om pijnstillers voor te schrijven bij lage rugpijn, vanwege de beperkte bewijsvoering voor de effectiviteit van deze medicatie en vanwege het risico op bijwerkingen. NSAID’s hebben de rol van paracetamol overgenomen als pijnstiller van eerste keuze voor lage rugpijn in 4 van de 8 richtlijnen. Opioïden worden door alle richtlijnen gezien als een laatste redmiddel, maar de voorschriften van deze medicatiegroep is de afgelopen jaren sterk gestegen. Er is slechts beperkt bewijs voor de effectiviteit van antidepressiva en anti-epileptica voor chronische lage rugpijn. Spierrelaxantia zijn een van de pijnstillers van eerste keuze in de Verenigde Staten, maar deze medicijnen zijn niet uitgebreid beschikbaar en daarom niet aanbevolen in veel andere landen.

Conclusie
Toekomstige klinische richtlijnen zouden hun focus moeten verleggen van pijn naar functie en van farmacotherapie naar niet-farmacologische behandelopties.

Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
Verschillen tussen de geïncludeerde richtlijnen zijn onder andere ontstaan door de verschillen in context (verschillende landen); dit heeft mogelijk zowel de behoeften van de patiënt met lage rugpijn als de interpretatie van het beschikbare bewijs over de effectiviteit van medicatie beïnvloed.

Is studie reeds afgerond?
Ja

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Ja

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Ik zou graag met de aanwezigen in discussie willen gaan over wat er nodig is om niet-farmacologische behandelingen geloofwaardig te maken voor patiënten met lage rugpijn.

Nadine Rasenberg - De incidentie, prevalentie en het beleid bij fasciitis plantaris in de Nederlandse huisartsenpraktijk

Inleiding
Fasciitis plantaris (PF) is een veelvoorkomende oorzaak van voetklachten, maar gegevens over het voorkomen ervan in de eerste lijn zijn schaars. PF wordt veelal gezien als een self-limiting klacht, waarbij omschreven wordt dat 80% van de patiënten klachtenvrij is na 12 maanden. Er zijn echter veel behandelingsmogelijkheden, die ondanks een gebrek aan evidence, toch veel worden toegepast. Het doel van deze studie was om de incidentie en prevalentie van PF te bepalen en om inzicht te krijgen in de behandelstrategieën van Nederlandse huisartsen bij deze klachten.

Methode
Een retrospectieve cohort studie werd uitgevoerd in een database met geanonimiseerde huisartsgegevens van ongeveer 1.9 miljoen patiënten uit heel Nederland (IPCI database).
Door middel van een zoekalgoritme met ICPC codes en vrije tekst werden gevallen van PF geïdentificeerd in de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. Het zoekalgoritme werd getest door een ervaren clinicus, die bij 100 willekeurige geïdentificeerde cases, handmatig na ging of het daadwerkelijk PF betrof. Beschrijvende statistieken werden gebruikt om de incidentie en prevalentie van PF te bepalen. Gegevens over de toegepaste behandelingen werden gehaald uit een steekproef van 1.000 patiënten.

Resultaten
Het zoekalgoritme had een positief voorspellende waarde van 93% en er werden 18.004 gevallen van PF gevonden. De incidentie van PF was 3.81 (95%CI 3.75-3.87) per 1000 patiëntjaren en de prevalentie van PF was 0.4374% (95%CI 0.4369-0.4378) per kalenderjaar specifieke noemer. De incidentie van PF piekte in de maand september in de onderzochte kalenderjaren (zie Figuur 1). In de steekproef van 1.000 patiënten werd bij 18.0% van de patiënten een afwachtend beleid voor PF ingezet tijdens het eerste consult. De meest toegepaste interventies waren het voorschrijven van een NSAID (19.9%), verwijzing naar een podotherapeut (19.7%) en het advies om inlegzolen te dragen (16.4%). 34.0% van de patiënten ontvingen meerdere interventies (range 2-11) en 30.9% van de patiënten hadden meerdere consulten voor PF (range 2-8) in de eerste 12 maanden na de eerste diagnose. Patiënten met klachten korter dan 2 weken bij de eerste presentatie kregen minder vaak een verwijzing of een NSAID, dan patiënten met een langere of onbekende duur van de klachten (p<0.001). Patiënten met bilaterale klachten kregen vaker een verwijzing tijdens het eerste consult dan patiënten met unilaterale of onbekende lokalisatie van de klachten (p=0.017).

Conclusie
PF is een veelvoorkomend probleem in de Nederlandse huisartspraktijk. In een normpraktijk zijn er ongeveer 8 nieuwe gevallen van PF per jaar. De duur en de lokalisatie van de klachten spelen een rol bij de keuze voor beleid van de huisarts. Ondanks een gebrek aan bewijs voor de meeste interventies, worden bij een groot deel van de patiënten meerdere interventies toegepast. Dit geeft aan dat het meer onderzoek nodig is naar effectieve behandelstrategieën.

Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
Persoonsgerichte zorg speelt een rol bij de behandeling van PF, aangezien patiëntkenmerken als duur en lokalisatie van de klachten invloed hebben op het beleid.

Is studie reeds afgerond?
Ja.

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Ja.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Is dit de meest effectieve manier om patiënten te identificeren?

Marleen van den Heuvel - Musculoskeletale pijn bij 6-jarige kinderen: het Generation R onderzoek

Inleiding
Musculoskeletale (MSK) pijn wordt regelmatig beschreven bij adolescenten en kinderen en is daarnaast ook een veel voorkomende reden voor consultatie van eerstelijns zorg. Er is echter nog veel onduidelijk over de etiologie en kenmerken van MSK pijn bij kinderen.

Onderzoeksvraag
Wat is de prevalentie van MSK-pijn bij 6-jarige kinderen in de algemene populatie en welke demografische, fysieke en psychosociale factoren spelen hierbij een rol?

Methode
Voor deze studie werd data van het Generation R onderzoek, een populatiestudie in Rotterdam, gebruikt. De prevalentie en kenmerken van MSK pijn, demografische factoren, fysieke activiteit, voorgeschiedenis van MSK pijn en gedragsproblemen (Child Behavior Checklist) werden onderzocht op basis van door de ouders ingevulde vragenlijsten op 6-jarige leeftijd (N=6200). Een verleden met MSK pijn werd uit de 3-jarige vragenlijst geëxtraheerd. Lengte en gewicht werden objectief gemeten op het onderzoekscentrum, waaruit de BMI-z werd berekend.

Resultaat
Van alle kinderen (N=6200) rapporteerde 10.0% MSK pijn te hebben gehad in de afgelopen drie maanden. Pijn in de ledematen (8.9%) het meest werd gerapporteerd. Bij jongens was er vaker sprake van MSK pijn dan pijn op andere locaties (53.0 vs. 46.0%, p=0.005). Bij 44.6% van de kinderen werd MSK pijn samen genoemd met pijn op andere locaties en kinderen met MSK pijn op 3-jarige leeftijd hadden ook op 6-jarige leeftijd vaker MSK pijn (p<0.001). BMI-z was niet geassocieerd met de aanwezigheid van MSK pijn. Daarnaast werd er geen relatie gevonden tussen fysieke activiteit en niveau en MSK pijn, terwijl kinderen met MSK pijn wel vaker (≥2 uur/dag) televisie keken dan kinderen zonder pijn (p=0.013). Kinderen met MSK pijn of pijn op andere locaties hadden significant vaker gedragsproblemen dan kinderen zonder pijn, zowel op de totale score als op internaliserende of externaliserende problemen.

Conclusie
MSK pijn komt bij kinderen al regelmatig voor, vaak samengaand met pijn op andere locaties en gerelateerd aan MSK pijn in de voorgeschiedenis. Zowel gewichtsstatus als fysieke activiteit lijken niet gerelateerd te zijn aan de aanwezigheid van MSK pijn, wat wel het geval is voor televisie kijken. Tot slot worden gedragsproblemen vaker gezien bij kinderen met pijn dan bij kinderen zonder pijn.

Hoe komt context huisarts – patiënt in de presentatie aan de orde?
In dit onderzoek bestuderen we de relatie van de klacht (MSK pijn) met demografische, fysieke en psychosociale factoren. Door de pijn in deze brede context te plaatsen hopen wij aanknopingspunten te geven voor een bredere benadering van MSK pijn bij kinderen in hun eigen context.

Is studie reeds afgerond?
Ja.

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Nee, op basis van algemene populatie.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Wat is de ervaring van huisartsen met MSK klachten bij jonge kinderen?
Zijn de uitkomsten uit dit vragenlijstonderzoek in de algemene populatie vergelijkbaar met wat in de huisartspraktijk gezien wordt?

Laptoppresentaties

Henk van der Worp - Valt het succes van een alfablokker behandeling bij mannen met plasklachten te voorspellen?

Inleiding
De eerste stap van de medicamenteuze behandeling van plasklachten bij mannen is het voorschrijven van een alfablokker. Onbekend is hoeveel mannen baat hebben van een alfablokker en welke factoren behandelsucces voorspellen.

Onderzoeksvraag
Welk deel van de mannen met plasklachten heeft baat bij een alfablokker en welke factoren voorspellen dit effect?

Methode
Een single-arm open-label studie waarin patiënten werden geworven door apotheken en 6 weken werden gevolgd. Patiënten met een eerste recept voor alfablokkers vulden voor de start van de behandeling en na 6 weken een vragenlijst in. De subjectieve verandering van klachten werd gemeten met de Patient Global Impression of Improvement (PGI-I). Demografische, ziekte gerelateerde en medicatie gerelateerde factoren werden meegenomen als voorspellers in een logistische regressie analyse met duidelijke verbetering als onafhankelijke variabele. In deze analyse werden alleen patiënten geïncludeerd bij wie de huisarts de voorschrijver was.

Resultaat
Van 100 van de 191 geïncludeerde deelnemers was complete data beschikbaar. Hiervan rapporteerden 37 een duidelijke verbetering na zes weken. Zesentwintig mannen stopten de medicatie voor de follow-up. Duidelijke verbetering van klachten trad vaker op bij deelnemers die het middel nog gebruikten na zes weken (OR=6.52 95% BI 1.80 tot 23.60) en deelnemers die zes of meer andere medicijnen gebruikten (OR=3.75 95% BI 1.19 tot 11.81). Deelnemers die langer dan 2 jaar klachten hadden lieten juist minder vaak een verbetering zien (OR=0.39 95% BI 0.16 tot 0.94). Ernst en soort klachten op baseline voorspelden de uitkomsten niet.

Conclusie
Ongeveer een derde van de mannen met mictieklachten die alfablokkers krijgt voorgeschreven door de huisarts ervaart na zes weken een duidelijke verbetering van klachten. Vroegtijdig stoppen komt veel voor en is tevens één van de geïdentificeerde voorspellers.
Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
Studies naar de werkzaamheid van medicatie presenteren meestal gemiddelde veranderingen in symptoom scores. Deze zijn voor patiënten lastig te begrijpen. Dit onderzoek geeft huisartsen de mogelijkheid patiënten te informeren over de kans op succes.

Is studie reeds afgerond?
Ja

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
De hier gepresenteerde analyse bevat alleen een huisartsenpopulatie. Binnen de studie is ook informatie verzameld over patiënten met een recept van de uroloog.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Zijn er belangrijke voorspellers, die eenvoudig te meten zijn in de huisartsenpraktijk, die niet in deze studie zijn meegenomen?

Henk van der Worp - Welke verandering van scores van twee veel gebruikte vragenlijsten voor mannen met plasklachten is klinisch relevant?

Inleiding
Symptoomscores die veel worden gebruikt bij mictieklachten zijn de Internationale Prostaat Symptoom Score (IPSS) en de Overactieve Blaas vragenlijst (OABq). De minimaal klinisch relevante verandering van deze vragenlijsten zijn alleen bepaald in patiënten in de tweede lijn.

Onderzoeksvraag
Wat is de klinische relevante verandering van de IPSS en OABq?

Methode
Patiënten die voor mictieklachten een alfablokker recept kregen van hun huisarts of uroloog werden geworven door apotheken en 6 weken gevolgd. Op baseline en na zes weken vulden de deelnemers de IPSS en de OABq-Short Form in. Na zes weken rapporteerden de patiënten ook de verandering van klachten met de Patient Global Impression of Improvement (PGI-I). De minimaal klinisch relevante verandering werd bepaald met behulp van de ankermethode en de distributiemethode.

Resultaat
Van de 251 geïncludeerde deelnemers vulden 165 de vervolg vragenlijst in. Deze werden meegenomen in de analyses. Op basis van de ankermethode werd de minimaal klinisch relevante verandering vastgesteld op 5.2 (95% BI 3.9;6.4) punten en 11.0 (95% BI 7.1;14.9) punten respectievelijk voor de IPSS en de OABq. Op basis van de distributie methode werd deze verandering vastgesteld op respectievelijk 3.3 en 8.7 punten.

Conclusie
De vastgestelde minimaal klinisch relevante verandering voor de IPSS is hoger dan de eerder gerapporteerde verandering vastgesteld in een klinische trial. Mogelijk is dit het resultaat van het includeren van een andere populatie. De minimaal klinisch relevante verandering voor de OABq is nog niet eerder vastgesteld. Deze bevindingen kunnen helpen bij het interpreteren van de uitkomsten van onderzoek naar behandeling van mictieklachten en bij het op basis daarvan vaststellen van het behandelbeleid.

Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
De studie kan huisartsen helpen bij het inschatten of een behandeling kan leiden tot een verbetering van de ervaren klachten.

Is studie reeds afgerond?
Ja

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
De studie is uitgevoerd in een populatie die voor ongeveer 80% bestaat uit een huisartsenpopulatie.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Wat is een beter afkappunt voor de ankermethode en daarmee de minimum voorwaarde om een behandeling in te zetten?: een PGI-I score ‘verbetering’ of ‘veel verbetering’.

Posterpresentaties

Simone Postma - De ontwikkeling van een ICF-vragenlijst voor patiënten met chronische ziekten in de huisartsenpraktijk

The development of an ICF-based questionnaire for patients with chronic morbidity in primary care

Inleiding
Persoonsgericht werken bij patiënten met multimorbiditeit is ontzettend belangrijk, dat weet elke huisarts, maar is ook vaak erg moeilijk. In de gezondheidszorg is nog steeds de ziekte leidend en niet de patiënt. Dat blijkt niet alleen uit de opkomst van ketenzorg, maar ook uit de dominantie van ziektegerelateerde richtlijnen en protocollen in de huisartsenpraktijk. De meeste richtlijnen focussen op de uitkomstmaten van één welbepaalde ziekte. Daardoor valt de groeiende groep patiënten die meerdere chronische aandoeningen hebben, uit de boot. Patiënten met multimorbiditeit functioneren minder goed en maken intensiever gebruik van gezondheidzorgvoorzieningen. Huisartsen exploreren en registreren het functioneren van deze patiënten echter maar zelden op een gestructureerde manier en daardoor blijven belangrijke persoonsgerichte aspecten van ziekte en gezondheid onzichtbaar. Toch is er al geruime tijd een raamwerk beschikbaar om dit functioneren op een gestandaardiseerde manier te exploreren en te beschrijven: de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF). De ICF wordt hier en daar al veel gebruikt door medici en paramedici, maar heeft nog niet haar intrede gedaan in de huisartsgeneeskunde. Een in 2016 gestart project gaat hierin verandering brengen. In het kader van dit project is een ICF-vragenlijst ontwikkeld, de Primary Care Functioning Scale (PCFS), die patiënten met chronische aandoeningen zelf kunnen invullen. In een eerste kwalitatieve studie werd door middel van 30 cognitieve interviews in 5 verschillende interviewrondes met patiënten met chronische aandoeningen in de huisartsenpraktijk de vragenlijst ontwikkeld. Door de methode van het cognitieve interviewen konden in totaal 124 problemen of moeilijkheden in het antwoordproces van de beantwoording van de vragenlijst worden opgespoord, zoals bijvoorbeeld een probleem met het begrip van de ICF constructen van de vraag. Het gemiddelde aantal problemen per interviewronde daalde van een gemiddelde van 11 problemen per interview in de eerste ronde naar een gemiddelde van 2 problemen per interview in de laatste interviewronde.
In de laatste ronde blijkt het ICF instrument goed in te vullen te zijn voor patiënten en zij zijn goed in staat hun functioneren te beschrijven in termen van ICF.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Is de nieuwe ICF-vragenlijst volgens huisartsen een geschikte methode om meer persoonsgericht te werken bij patiënten met verschillende chronische aandoeningen en biedt het een manier om op gestandaardiseerde en structurele wijze contextgerelateerde informatie van patiënten te exploreren en vast te leggen in het HIS.

Simone Postma - De toepasbaarheid van een nieuw ontwikkelde ICF-vragenlijst voor patiënten met chronische ziekten in de huisartsenpraktijk

Inleiding
Persoonsgericht werken bij patiënten met multimorbiditeit is ontzettend belangrijk, dat weet elke huisarts, maar is ook vaak erg moeilijk. In de gezondheidszorg is nog steeds de ziekte leidend en niet de patiënt. Dat blijkt niet alleen uit de opkomst van ketenzorg, maar ook uit de dominantie van ziektegerelateerde richtlijnen en protocollen in de huisartsenpraktijk. De meeste richtlijnen focussen op de uitkomstmaten van één welbepaalde ziekte. Daardoor valt de groeiende groep patiënten die meerdere chronische aandoeningen hebben, uit de boot. Patiënten met multimorbiditeit functioneren minder goed en maken intensiever gebruik van gezondheidzorgvoorzieningen. Huisartsen exploreren en registreren het functioneren van deze patiënten echter maar zelden op een gestructureerde manier en daardoor blijven belangrijke persoonsgerichte aspecten van ziekte en gezondheid onzichtbaar. Toch is er al geruime tijd een raamwerk beschikbaar om dit functioneren op een gestandaardiseerde manier te exploreren en te beschrijven: de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF).

In de vorige twee studies is een nieuw self-report ICF instrument ontwikkeld en gevalideerd voor gebruik in de huisartsenpraktijk door patiënten met chronische aandoeningen. Het ICF instrument blijkt goed in te vullen te zijn voor patiënten en zij zijn goed in staat hun functioneren te beschrijven in termen van ICF. De psychometrische eigenschappen zijn uitgebreid in kaart gebracht en het instrument is valide en betrouwbaar. Op de vraag hoe het nieuw ontwikkelde instrument kan worden toegepast in het spreekuur van de praktijkondersteuner (POH-S) is echter nog geen antwoord gegeven. Wat zijn de ervaren facilitators en barrières voor gebruik van het instrument bij de betrokken partijen?

In deze exploratieve kwalitatieve studie zullen we bij gekoppelde POH-S en patiënten afzonderlijk een diepte-interview afnemen over hun eerste ervaringen met het ICF instrument. Patiënten zullen thuis het ICF instrument invullen om verolgens met hun POH-S de vragen en uitkomsten te bespreken in een apart consult. Zij zullen vervolgens worden geinterviewd over de potentiële toepasbaarheid, facilitators en barrières bij het gebruik van de ICF-vragenlijst in de dagelijkse huisartsenpraktijk. De interviews worden geaudiotaped, getranscribreerd en geanalyseerd in een iteratief proces. Uit een eerste analyse van 6 interviews blijkt dat zowel de POH-S en de patiënt meer inzichten kregen in het functioneren van de patiënt door de ICF-vragenlijst in te vullen en te bespreken. Een consult tussen de POH-S en patiënt over alleen het gezondheidsgerelateerde functioneren (en niet over ziektegerelateerde onderwerpen) bleek nog wel onwennig te zijn voor beide partijen. Een belangrijke barrière is het nog ontbreken van een training voor de POH-S over het gebruik van het nieuwe ICF instrument in de dagelijkse praktijk. Daarnaast gaven zowel de POH-S als de patiënt aan dat zij het belangrijk vinden dat ook de huisarts actief wordt betrokken bij de inzet van de ICF-vragenlijst en het bespreken van het functioneren van de patiënt met chronische ziekten.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Welke potentiële rol ziet de huisarts voor zichzelf binnen de toepasbaarheid van het ICF-instrument in de dagelijkse huisartsenpraktijk voor patiënten met chronische ziekten?

Gil Schulte - Orthopedische anderhalvelijnszorg, een multidisciplinaire aanpak om een gespecialiseerde maar goedkopere Nederlandse zorg te garanderen

Orthopedic outreach clinic – an interdisciplinary approach to substitute Dutch healthcare with the aim to provide affordable high standard care

Inleiding
Het Nederlandse zorgstelsel is één van de duurste in Europa, waarbij medisch specialistische zorg het grootste deel van de uitgaven veroorzaakt. Helaas zullen deze uitgaven naar verwachting toenemen. Zo is in Nederland de laatste tien jaar het aantal schouderpatiënten die orthopeed bezoeken bijna verdubbeld. Om deze reden dient gezocht te worden naar alternatieven om het Nederlandse gezondheidssysteem betaalbaar te houden, zoals de anderhalvelijnszorg. In de regio Westelijke Mijnstreek in Zuid-Limburg hebben een kaderhuisarts bewegingsapparaat, fysiotherapeut en orthopeed een gezamenlijk spreekuur opgezet in een anderhalvelijnscentrum – het zogenaamde Anders Beter Centrum (ABC) – voor patiënten met schouderklachten.

Onderzoeksvragen
De onderzoeksvragen zijn:
1) Wat is het percentage van patiënten met schouderklachten die gebruik hebben gemaakt van het ABC en alsnog naar de tweede lijn worden verwezen?
2) Wat is de effectiviteit van het in het ABC gegeven behandeladvies?
3) Hoe tevreden zijn schouderpatiënten over de zorg in het ABC?

Methode
Een lopende observationele studie. Inclusiecriteria: patiënten met unilaterale schouderklachten (ouder dan 18 jaar) die gebruik hebben gemaakt van het ABC in de periode januari t/m december 2018. De resultaten worden vergeleken met patiënten die verwezen zijn naar de polikliniek orthopedie in het Zuyderland ziekenhuis. Met behulp van de diagnose-behandelcombinatie-codes wordt het percentage van patiënten met schouderklachten die alsnog naar de orthopeed zijn verwezen berekend. De effectiviteit van het gegeven behandeladvies en de patiënttevredenheid zijn respectievelijk gemeten aan de hand van de Schouder Pain and Disability Index (SPADI) en Consumer Quality Index en vergeleken met de populatie gezien op de polikliniek orthopedie.

Eerste resultaten
In totaal zijn 238 patiënten geïncludeerd, waarvan 127 patiënten gebruik hebben gemaakt van het ABC en 111 patiënten van de polikliniek orthopedie in het Zuyderland ziekenhuis. ABC patiënten hebben een niet-klinisch relevante lagere SPADI-pijnscore dan patiënten die gezien zijn op de polikliniek orthopedie, respectievelijk 75,6 (SD 27,4) en 79,5 (SD 27,7). Tevens wordt de algehele patiënttevredenheid beter gewaardeerd door patiënten gezien in het ABC, respectievelijk 8,9 (± 0,8) en 8,2 (± 1,0).

Conclusie
De komende maanden wordt geanalyseerd welk percentage van de patiënten die gebruik hebben gemaakt van het ABC alsnog naar de polikliniek orthopedie zijn doorverwezen. Tevens zal worden nagegaan in hoeverre de SPADI-pijnscore verbetert bij patiënten gezien in het ABC in vergelijking met patiënten gezien op de polikliniek orthopedie. Deze resultaten zullen tijdens de NHG-wetenschapsdag ook worden gepresenteerd.

Hoe komt context huisarts – patiënt in de presentatie aan de orde?
Door een multi-disciplinaire aanpak combineren we generalistische zorg met aandacht voor de context met specialistische zorg.

Is studie reeds afgerond?
Nee, de studie is deels afgerond. Alle resultaten presenteren wij op de NHG-Wetenschapsdag.

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Ja, wij vergelijken de huisartsenpopulatie in het anderhalvelijnscentrum met de tweedelijnspopulatie.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Is anderhalvelijnszorg een goede optie om de zorg goedkoper in te richten?
Heeft u ervaringen met anderhalvelijnszorg orthopedie? Indien ja, wat soort van ervaringen zijn dit?

Login Alabdali - Are GPs and nurse practitioners aware that musculoskeletal complaints are a diabetes-related complication? An online questionnaire survey.

Zijn huisartsen en praktijkondersteuners zich bewust dat gewrichtsklachten een complicatie kunnen zijn van diabetes? Een online vragenlijst onderzoek

Introduction
Next to the well-known micro- and macrovascular complications, type 2 diabetes mellitus is associated with musculoskeletal disorders of the upper extremities referred to as limited joint mobility (LJM). The most commonly seen disorders are trigger finger, Dupuytren’s contracture, carpal tunnel syndrome (CTS) and adhesive capsulitis. Unrecognized and untreated LJM can lead to inactive life style, poorer self-control, inability to perform activities in daily basis, decrease diabetes treatment compliance, in which cause diabetes complication to appear earlier and thus, aggravate LJM. Despite its reported higher prevalence in international prevalence studies, examination of the upper extremities is still no part of the regular DM check-ups. The primary aim of this study was therefore to evaluate the awareness of Dutch GPs and nurse practitioners concerning LJM. Secondary aims were to evaluate the current management of a patient with LJM, and to assess opinions regarding the question of who should screen for LJM if this is done in the near future.

Methods
An online questionnaire survey was conducted between December 2017 and February 2018 among 390 GPs and 245 nurse practitioners of three diabetes care groups in The Netherlands to assess their awareness of the association between DM and LJM.

Results
Most GPs are not aware that LJM is a DM complication, with an unawareness for specific upper extremity disorders ranging from 59% to 73%. Of the NPs, 76% is not aware either. Only 41% of GPs would advise the most optimal treatment for diabetes patient with CTS. Finally, only 25% of the GPs believe that screening for LJM should be incorporated into the Dutch guidelines compared to 63% of the NPs.

Conclusion
The majority of GPs and nurse practitioners are not aware of LJM as a diabetes complication. In contrast to nurse practitioners, most GPs do not believe that screening for LJM should be performed. We think that more awareness can improve quality of life of diabetes patients. However, our study does not encourage incorporating LJM screening in the diabetes guidelines yet, before Dutch LJM prevalence studies have been conducted.

Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
This topic is not directly related to our study. However, quality of life of diabetes patients can be improved by more awareness about LJM.

Is de studie reeds afgerond?
Yes, the study has been finished. The survey was conducted between December 2017 and February 2018.

Is de studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Yes, the population of the study composed of general practitioners and nurse practitioners.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
How do you deal with LJM complaints of diabetes patients during the annual check-up?
Do you think we should screen diabetes patients for LJM?

Karlijn van Halewijn - Systematische review: vergelijken van aanbevelingen uit richtlijnen over indifferente middelen en lokale corticosteroïden bij de behandeling van atopisch eczeem

Systematic review: comparing guideline recommendations for emollients and topical corticosteroids in the management of atopic dermatitis

Inleiding
De behandeling van atopisch eczeem is gericht op het behandelen van de symptomen. Indifferente middelen en topicale corticosteroïden (TCS) zijn de hoeksteen van de behandeling van atopisch eczeem in de huisartsenpraktijk. Aangezien er geen goed bewijs is over de beste behandelstrategie hanteren internationale richtlijnen verschillende aanbevelingen voor het gebruik van indifferente middelen en TCS.

Onderzoeksvraag
Het doel van de systematische review van richtlijnen is het vergelijken van de aanbevelingen over het gebruik van indifferente middelen en TCS en de achterliggende overwegingen en/of het bewijs van de aanbevelingen.

Methode
Een literatuuronderzoek zal worden uitgevoerd met behulp van MEDLINE Epub (Ovid), Embase.com, CINAHL EBSCO, Cochrane Central, Web of Science en Google Scholar. Verder zullen we aanvullend zoeken in richtlijn specifieke databases: de National Guideline Clearinghouse (Verenigde Staten) en G-I-N International Guideline Library (http://www.g-i-n.net).
Richtlijnen, consensusverklaringen of zorgprotocollen voor de behandeling van atopisch eczeem die door een organisatie van zorgprofessionals (bijvoorbeeld dermatologen, allergologen, kinderartsen of huisartsen) zijn opgesteld zullen worden geïncludeerd. Er moeten aanbevelingen in staan over het gebruik van indifferente middelen en/of TCS.
Titel / abstract- en full-text-screening worden onafhankelijk uitgevoerd door twee recensenten met behulp van checklists. De recensenten zullen gestandaardiseerde formulieren gebruiken voor onafhankelijke extractie van aanbevelingen volgens de criterialijst. Richtlijnen worden beoordeeld op kwaliteit door middel van Appraisal of Guidelines for Research and Evaluation II (AGREE II).

Resultaat
Verwacht in juni 2019

Conclusie
Vanwege gebrek aan goed bewijsmateriaal zijn de aanbevelingen in de richtlijnen hoogstwaarschijnlijk gebaseerd op overwegingen van deskundigen. Het is van belang om te weten wat de experts de belangrijkste overwegingen vinden bij de behandeling van atopisch eczeem (bijvoorbeeld veiligheid, werkzaamheid of haalbaarheid van de behandelingsstrategie).

Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
Deze systematic review biedt inzicht in de verschillende adviezen omtrent TCS en indifferente middelen voor de behandeling van atopisch eczeem.

Is studie reeds afgerond?
Nee

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Nee

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Hoe kijken de aanwezigen aan tegen de verschillende aanbevelingen over indifferente middelen en TCS, welke adviezen hanteren zij en waarom? Volgen zij de adviezen van de NHG-standaard eczeem?

Laptoppresentaties

Herman Gerritsen - Post-IntensiveCare-Syndroom (PICS) in de eerste lijn: een retrospectieve cohort studie

Post-intensive care syndrome (PICS) in primary care: a retrospective cohort study

Inleiding
Talloze patiënten houden na een opname op de intensive care klachten. Deze klachten, gegroepeerd in stoornissen in het fysieke,cognitieve en psychologische domeinen worden beschreven in het Post-IntensiveCare Syndrome (PICS). Hoewel er in de ziekenhuis setting een toenemend aantal studies verricht wordt naar naar de incidentie en effecten vanPICS, is de aard en omvang ervan in de huisartsenpopulatie onbekend.

Onderzoeksvraag
Inventarisatie van incidentie en morbiditeits kenmerken van patiënten na IC-opname in de huisartsenpopulatie.

Methode
Retrospectieve cohort studie in een eerstelijns registratie netwerk FaMe-net. We identificeerden patiënten met IC-opname tussen 01/01/2005 en01/07/2017 bij de preferente ziekenhuizen in regio Nijmegen. Gezocht werd naar nieuwe diagnoses (International Classification of Primary Care 2; ICPC-2) tijdens post-ICU follow-up periode. Een representatieve referentie-groep werd gevormd op voor geslacht,leeftijd en reeds bestaande comorbiditeit. We berekenden de relatief risico en de odd’s ratio op nieuwe diagnoses gegroepeerd op ICPC-2 thema-cluster, ICPC-2 pathofysiologie en PICS domein.

Resultaat
We identificeerden 220 ICU-overlevenden met een ICU follow-up van tenminste 3 maanden (gemiddelde leeftijd 59,7 ± 15,6 jaar, 64,1% man,70,9% postoperatieve reden voor ICU-verblijf, mediane ziekenhuisopname 9 dagen [IQR 6 -16.75], de gemiddelde ICU blijft 1 dag [IQR 1-2]). 777 referentie patiënten werden geselecteerd. Na ontslag uit het ziekenhuis werd onder ICU-overlevers een toename in nieuwe diagnoses gezien; 0-3 maanden (RR 2,62, 95% BI 2,09-3,28), 3-6 maanden (1,52, 1,18-1,97), 6-12 maanden (1,44, 1,16-1,80) en 2-5 jaar(1.37, 1.06-1.78). Meest voorkomende nieuwe diagnose clusters in eerste 0-3 maanden na ontslag zijn: Bloedsomloop (16,4%), Huid(11,4%), Spijsvertering (10,9%), Algemeen (9,5%), Luchtwegen (9,5%),Urine (9,5%) en Psychologisch (9,1%). Hogere odds voor PICS-achtige fysieke diagnoses werden gezien in zowel korte als lange termijn naICU-opname, terwijl hogere kans op PICS-achtige psychosociale diagnoses slechts 0-6 maanden na ontslag werden gezien. Er zijn geen verschillen in cognitieve diagnoses waargenomen.

Conclusie
Onze studie geeft aan dat in vergelijking met referentie patiënten binnen de eerste lijn, patiënten na IC-opname zich binnen de huisartsenzorg presenteren met een toename van een breed scala aan gezondheidsproblemen. Meer inzicht in de aard en omvang van aan PICS gerelateerde zorg problemen in de huisartsenzorg is wenselijk om oppassende wijze te kunnen anticiperen als zorgverleners.

Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
Erkenning en herkenningklachtenpatroon van PICS patiënten in de spreekkamer van de huisarts.

Is studie reeds afgerond?
De studie is afgerond. Manuscript is in voorbereiding voor aanbieding publicatie

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
De studie is verricht op basis van huisartsendata en ziekenhuisdata. De huisartsendata betrof de dossiers uit FaMe-net. De ziekenhuis data betrof patiënt gegevens van gedurende de IC opname.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Bewustzijn over noodzaak van correcte registratie binnen het HIS (van ICPC-2) om toekomstige onderzoeksvragen betreffende eerstelijnspopulaties meetbaar te kunnen beantwoorden.
Meedenken over op welke wijze meer data te verkrijgen is uit grotere eerstelijns populaties.

Nicole van Gelder - SAFE: een zelfhulp e-healthinterventie ter ondersteuning voor vrouwen die blootgesteld zijn aan partnergeweld

Inleiding
Partnergeweld is elk fysiek, psychisch, seksueel of economisch geweld dat plaatsvindt tussen (ex-)partners. Eén op de drie vrouwen in Nederland is (ooit) slachtoffer van partnergeweld. Zij hebben een verhoogd risico op depressie, angststoornissen en andere psychische en (onverklaarde) lichamelijke klachten. Binnen de gezondheidszorg zijn er weinig effectieve interventies voor deze groep. Vrouwen ervaren barrières om het geweld met iemand te bespreken of om hulp te vragen.
E-health is een nieuwe hulpvorm met toenemende bewijzen van effectiviteit. Het is laagdrempelig, toegankelijk en anoniem. Er is vanuit SAFE een website ontwikkeld voor vrouwelijke slachtoffers van partnergeweld. De SAFE interventie wil het bewustzijn van deze vrouwen dat hun leefsituatie ongezond is verhogen en hen ondersteunen bij het maken van keuzes in het veranderen daarvan.
SAFE bestaat uit 4 modules:
1) Informatie over partnergeweld en relaties.
2) Informatie over professionele hulp, inclusief hulpdatabase.
3) De sociale omgeving.
4) Fysieke en mentale gezondheid.
Inclusief o.a.: informatie, invuloefeningen, ervaringsverhalen, een forum en chat.

Onderzoeksvragen
Wat zijn hoofdelementen van SAFE volgens ervaringsdeskundigen en experts?
Is SAFE een effectieve interventie om zelfredzaamheid te vergroten bij vrouwen die zijn blootgesteld aan partnergeweld?
Is SAFE een effectieve interventie om bewustzijn en ervaren steun te vergroten, en (mentale) gezondheidsproblemen te verminderen bij deze vrouwen?
Is het gebruik van SAFE geassocieerd met een significante verandering in de primaire en secundaire uitkomsten?
Is SAFE een praktisch hulpmiddel om informatie en zorg te geven aan deze vrouwen?

Methode
Een interviewstudie (interviews en focusgroepen met ervaringsdeskundigen en experts; de ontwikkeling van SAFE).
Een RCT.
Een procesevaluatie.

Resultaat
Dit onderzoeksproject startte in 2018. De dataverzameling van deel 1 is afgerond. De uitkomsten zijn verwerkt in de SAFE website. Enkele hoofdelementen:
– Herkenbaarheid
– Contactmogelijkheden
– Duidelijke, compacte informatie
– Concrete hulpopties

Conclusie
Uiterlijk 1 april 2019 start de RCT van SAFE. De website is nu in de laatste ontwikkelfase. Het is belangrijk dat huisartsen op de hoogte zijn van SAFE. Via SAFE komen sommige vrouwen bij de huisarts, maar huisartsen kunnen ook verwijzen naar SAFE bij vermoedens van partnergeweld.

Hoe komt de context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
Voor patiënten en huisartsen kan het moeilijk zijn om partnergeweld te bespreken. SAFE verlaagt de drempel om naar reguliere hulp, zoals de huisarts, te gaan. Als een patiënt door SAFE naar de huisarts gaat, dan is het fijn als de huisarts van SAFE weet. De huisarts kan bij het vragen naar de thuissituatie/relatie verwijzen naar SAFE bij vermoedens van partnergeweld. Bijvoorbeeld wanneer het gesprek stroef loopt omdat de patiënt weinig los durft te laten.

Is de studie reeds afgerond?
Nee, deze studie loopt van 2018 t/m 2021.

Is de studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in de huisartsenpopulatie?
Nee.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Wie zijn er verantwoordelijk voor de hulp aan slachtoffers van partnergeweld? Wat hebben huisartsen nodig om om te gaan met dit thema bij patiënten?

Geertje Liemburg - Diagnostische accuraatheid van follow-up testen voor het opsporen van recidieven in overlevers van darmkanker behandeld met curatieve opzet: systematische literatuurstudie en meta-analyse

Inleiding
Het aantal mensen dat darmkanker overleeft neemt toe. De nacontroles na de behandeling worden meestal in het ziekenhuis uitgevoerd. De toename van het aantal overlevers leidt tot een grotere druk op de organisatie van deze zorg. Een effectieve verdeling van middelen en verantwoordelijkheden tussen de eerste en tweede lijn wordt in veel landen als oplossing gezien. Het Nederlands Huisartsen Genootschap stelt in haar Standpunt ‘Oncologische zorg in de huisartsenpraktijk’ dat nacontrole voor de meest voorkomende kankersoorten in aanmerking kan komen voor substitutie naar de eerste lijn. Voorwaarde hiervoor is dat er evidence-based richtlijnen voor huisartsen komen. In de huidige internationale richtlijnen zijn er weinig evidence-based protocollen gericht op de huisarts. Ook de effectiviteit van verschillende onderdelen van nacontroles blijft onderwerp van discussie, blijkende uit de verschillen in internationale richtlijnen voor de tweedelijnszorg. In deze studie hebben we de diagnostische accuraatheid van testen onderzocht die worden gebruikt in nacontroles bij darmkanker met het doel om uiteindelijk aanbevelingen te kunnen doen voor evidence-based protocollen voor de eerstelijnszorg.

Onderzoeksvraag
Hoe accuraat zijn de diagnostische testen die worden gebruikt bij het opsporen van recidieven bij volwassen overlevers van darmkanker die zijn behandeld met curatieve opzet?

Methode
Een systematische literatuurstudie van de diagnostische accuraatheid van testen gebruikt in follow-up routines voor het opsporen van recidieven bij volwassen darmkankerpatiënten. In Medline, EMBASE, CINAHL, Cochrane Trail Register, Web of science en het Trial register werd systematisch gezocht tot juli 2018. Combinaties van MesH-termen en vrije tekstwoorden voor darmkanker, curatief, follow-up en recidieven werden gebruikt. Studies na 2000 die een follow-up test voor de detectie van recidieven beschreven en voldoende gegevens rapporteerden om een 2×2-tabel voor diagnostische testen te construeren werden geïncludeerd.

Resultaten
De initiële zoekopdracht leverde 3287 artikelen op, waarvan er uiteindelijk 19 geïncludeerd werden. De meest voorkomende follow-up testen die werden gerapporteerd waren CEA (carcino-embryonaal antigeen), CT-scan en PET-scan. Gerapporteerde sensitiviteit en specificiteit waren respectievelijk voor CEA 43-83% en 80-100%, voor CT-scan 56-92% en 84-100% en voor PET-scan 86-94% en 74-92%. Minder frequent onderzochte routines waren onder andere MRI, röntgenfoto van de thorax, echo, lichamelijk onderzoek en verschillende tumormarkers. We zullen tijdens de NHG-Wetenschapsdag ook resultaten voor gepoolde gegevens presenteren.

Conclusie
De onderzochte gegevens laten een brede range zien voor de sensitiviteit van de meest gebruikt diagnostische testen bij de nacontroles. CEA, CT en PET-scan tonen allen een specificiteit boven de 75%, wat kan betekenen dat aanvullend onderzoek bij een negatieve testuitslag niet geïndiceerd is.

Hoe komt de context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
Substitutie van zorg naar de huisartsenpraktijk zal consequenties hebben voor zowel huisartsen als patiënten.

Is de studie reeds afgerond?
De resultaten zullen voor de NHG-Wetenschapsdag volledig zijn uitgewerkt.

Is de studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in de huisartsenpopulatie?
De studie is uitgevoerd op basis van internationale literatuur.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Hoe denken de aanwezigen over substitutie naar de huisarts? Wat is hier voor nodig?

Posterpresentaties

Roxanne van den Berg - Is beperkte en pijnlijke beweging van de rug één van de tekenen van degeneratie van de lumbale wervelkolom in oudere patiënten met rugpijn?

Inleiding
Degeneratie van de lumbale wervels is één van de eigenschappen van artrose van de ruggenwervels and het is geassocieerd met rugpijn en ochtendstijfheid van de rug. Echter is het niet bekend welke andere symptomen gerelateerd zijn aan degeneratie van de lumbale wervels en mogelijk kunnen helpen bij het identificeren van patiënten met rugpijn en symptomen door degeneratie van de rug. Beperkte beweging is naast pijn en ochtendstijfheid een element van artrose van de perifere gewrichten. Het is nog niet eerder onderzocht of beperkte en pijnlijke beweging van de rug geassocieerd is met lumbale degeneratie.

Onderzoeksvraag
Is er een associatie tussen beperkte en pijnlijke beweging van de rug en lumbale degeneratie?

Methode
Deze cross-sectionele studie is verricht in de BACE studie. Patiënten ouder dan 55 jaar wie een huisarts bezochten met een nieuwe episode van rugpijn werden geïncludeerd. Beweeglijkheid van de rug werd onderzocht doormiddel van een lichamelijk onderzoek waar de volgende onderdelen geëvalueerd werden: beperking en pijn bij lateroflexie, rotatie en anteflexie van de rug. The aanwezigheid van lumbale degeneratie was geëvalueerd met lumbale röntgenfoto’s voor de aanwezigheid van osteofyten en vernauwing van de tussenwervelruimtes. Met behulp van logistische regressie analyses zijn de associaties tussen de radiografische kenmerken van lumbale degeneratie en beperkte beweging van de rug bepaald. Er werd gecorrigeerde voor leeftijd, geslacht, BMI, ernst van lage rugpijn en angst voor bewegen (kinesiophobia).

Resultaat
Er werden 622 patiënten geïncludeerd in de studie. Beperkte lateroflexie was geassocieerd met de definitie van osteofyten (niet gecorrigeerde OR=2.2, 95% CI 1.5-3.3), graad 2 vernauwing van de tussenwervelruimte (niet gecorrigeeerde OR=2.8, 95% CI 1.2-6.5) en de definitie van vernauwing van de tussenwervelruimte (niet gecorrigeerde OR=2.0, 95% CI 1.2-3.2). Pijn tijdens lateroflexie was geassocieerd met de definitie van osteofyten (niet gecorrigeerde OR=1.9, 95% CI 1.3-2.9), en de definitie van vernauwing van de tussenwervelruimte (niet gecorrigeeerde OR=1.6, 95% CI 1.1-2.3). Anteflexie <10 cm was geassocieerd met graad 2 vernauwing van de tussenwervelruimte (niet gecorrigeerde OR=2.2, 95% CI 1.2-4.2), en de definitie van vernauwing van de tussenwervelruimte. Pijnlijke anteflexie was niet geassocieerd met lumbale degeneratie, net als asymmetrie en pijn bij rotatie van de rug.

Conclusie
Er was sprake van meerdere associaties tussen beperkte en pijnlijke lateroflexie van de rug en de radiografische lumbale degeneratie. Ook werd er een associatie gevonden tussen anteflexie van de rug en vernauwing van de tussenwervelruimte. Lumbale degeneratie en lateroflexie en anteflexie van de rug zijn mogelijk extra criteria (naast pijn en ochtendstijfheid) die gebruikt kunnen worden om te aanwezigheid van artrose van de ruggenwervels aan te tonen.
Huisartsen zien veel patiënten met lage rugpijn, waar geen duidelijke diagnose vastgesteld kan worden. Het zou handig zijn als huisarts patiënten met artrose van de ruggenwervels kunnen identificeren zodat ze duidelijke uitleg en goede behandeling kunnen krijgen.

Is de studie reeds afgerond?
Ja.

Is de studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of huisartsenpopulatie?
Ja.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Gebruiken huisartsen het lichamelijk onderzoek van de rug?
Hoe denken huisartsen over het identificeren van patiënten met patiënten met artrose in het algemeen?
Diagnosticeren huisartsen artrose van rug?

Amber van der Heijden - Retinopathie predictie modellen in type 2 diabetes. Systematische review en externe validatie studie

Inleiding
Predictiemodellen voor retinopathie kunnen worden ingezet voor de identificatie van mensen met type 2 diabetes (T2D) met een hoog risico op retinopathie.

Onderzoeksvraag
Welke predictiemodellen voor retinopathie zijn er gepubliceerd en wat is de kwaliteit en nauwkeurigheid van deze modellen? Wat is de nauwkeurigheid van deze modellen wanneer ze worden gevalideerd in een onafhankelijk T2D cohort?

Methode
Een systematisch zoekstrategie werd uitgevoerd in PubMed en Embase in februari 2018. Studies werden opgenomen wanneer: (i) het model van toepassing was op mensen met T2D; (ii) de uitkomst retinopathie was, (iii) de studieduur langer was dan een jaar. Risico op bias werd beoordeeld via de PROBAST-tool. De prestaties van de modellen (interne validatie) werden beoordeeld via discriminatie, het vermogen om mensen met hoog retinopathie risico te identificeren (bijvoorbeeld C-statistic), en calibratie, vermogen om het absolute retinopathie risico nauwkeurig te schatten. Screening en data-extractie werden onafhankelijk uitgevoerd door twee beoordelaars. Voor de externe validatie van de modellen werden gegevens van het Diabetes Zorg Systeem (DZS) cohort gebruikt, met jaarlijks klinische metingen en EURODIAB-beoordeling van retinopathie. Voor ieder model werden risicoscores per patient op baseline berekend en retinopathie incidenties voorspeld voor vijf jaar follow-up. Discriminatie (C-statistic) en calibratie (figuur, Hosmer-Lemeshow χ2 en waargenomen/verwachte incidenties) werden beoordeeld via de gekalibreerde modellen op basis van de retinopathie-incidentie in het DZS.

Resultaat
Tien studies werden geincludeerd in de systematische review, waarin werd gerapporteerd over 15 modellen. De resultaten varieerden van verwijsbare retinopathie tot blindheid. Het merendeel van de studies scoorde een hoog risico op bias. Discriminatie werd gemeld in zeven onderzoeken met c-statistics van 0,55 tot 0,84. Vijf studies rapporteerden over calibratie. Acht modellen maakten gebruik van routine-zorggerelateerde gegevens en konden worden toegepast in het DCS cohort (N = 10.702). Rekening houdend met het retinopathiestadium waarvoor het model ontwikkeld was, varieerden de C-statistics van 0,509 (95% CI: 0,471-0,547) tot 0,828 (95% BI: 0,791-0,865). De meeste modellen lieten een onderschatting van het retinopathie risico zien bij mensen met een hoog risico, en χ2 vertoonde p-waarden onder 0,05, wat wijst op significante verschillen tussen de voorspelde en waargenomen risico’s.

Conclusie
De prestaties van de retinopathie predictiemodellen in een externe validatie varieerden van slecht tot goed. Modellen van Aspelund et al, Tanaka et ak en Basu et al lieten de beste prestaties zien.

Hoe komt de context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
Risicocommunicatie, zorg op maat

Is de studie reeds afgerond?
Ja.

Is de studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in de huisartsenpopulatie?
Ja.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Hoe staat met tegenover het gebruik van predictiemodellen om de frequentie van retinopathiescreening te bepalen.

Alana Helberg-Proctor - 'Ras' in de Nederlandse zorg vertroebelt de klinische blik

Inleiding, Onderzoeksvraag, Methode, Resultaat, Conclusie
Diversiteit staat al jaren in de belangstelling, ook binnen de Nederlandse gezondheidszorg. Deze belangstelling is mede ingegeven door het idee dat aandacht voor verschillen, zoals sekse, etniciteit, “ras”, de kwaliteit van de zorg ten goede komt. Deze trend is echter niet zonder risico’s, in het bijzonder waar het gaat om de categorieën etniciteit en “ras”. Ten eerste is er de vraag op welke wijze en op basis van welke kennis er in de medische praktijk rekening moet worden gehouden met populatieverschillen. Ten tweede is het een uitdaging om rekening te houden met populatieverschillen zonder voorbij te gaan aan de individuele patiënt.
Een voorbeeld is de nierfunctietest voor het schatten van de glomerulaire filtratiesnelheid (GFR). Zoals in de Nederlandse richtlijnen aanbevolen, wordt de GFR geschat middels de MDRD formule (sinds kort de CKD-EPI formule) die gebaseerd is op vier parameters: serumcreatinine, leeftijd, geslacht en ras. Rond deze praktijk verkennen wij een tweetal punten. Ten eerste vragen wij waar dit advies voor het gebruik van de “ras-correctie” in de MDRD en CKD-EPI in de Nederlandse richtlijnen op is gebaseerd. Door middel van content analyse van het Amerikaanse onderzoek waarop de Nederlandse richtlijnen zijn gebaseerd, almede een contextuele analyse van de manier waarop dit racialiserende Amerikaanse onderzoek in de Nederlandse huisartsenpraktijk terecht komt, bespreken wij de implicaties van het gebruik van het concept “ras” in de zorg en de onvoorziene effecten hiervan voor diversiteit in de zorg.
Het corrigeren van uitslagen van de nierfunctietest heeft als doel het corrigeren van een hogere glomerulaire filtratie snelheid bij mensen met een relatief hogere spiermassa. Het concept “ras” fungeert hierbij als een proxy, of eigenlijk stereotype, op basis van de aanname dat verschillende “rassen” bestaan en dat deze verschillende spiermassa zouden hebben. Deze problematische geracialiseerde correctie voor spiermassa is overgenomen vanuit Amerikaans onderzoek, zonder verdere discussie over of en hoe deze in de Nederlandse context gebruikt moet worden. Hoewel het begrip “ras” zijn entree maakt in de Nederlandse gezondheidszorg als een manier om die zorg te diversificeren, hebben we hier gewezen op problematische kanten van dat begrip voor de zorg. Maar het gebruik van “ras” als categorie in de medische praktijk heeft ook maatschappelijke effecten. Het tekent de beeldvorming rond “ras”. De autoriteit van medische kennis kan legitimatie geven aan rigide noties van raciale verschillen en bijdragen aan het herintroduceren van ras als een onproblematische biologische categorie.

Is studie reeds afgerond?
Ja.

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Nee.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Zijn aanwezigen huisartsen bewust van de werkelijke achterliggende variabel (spiermassa) van de ras correctie in de MDRD en CKD-EPI?
Hoe besluiten aanwezigen huisartsen om de ras correctie wel of niet toe te passen?

Stijn Duijn - Naar een interprofessioneel samenwerkingscompetentieprofiel voor huisartsen

Inleiding
Interprofessionele samenwerking wordt steeds belangrijker binnen de eerstelijnszorg. Door substitutie van zorg van de tweede naar de eerste lijn en de toenemende complexiteit van zorgvraag zijn er meer zorgprofessionals met diverse achtergronden betrokken bij individuele patiënten. Interprofessionele samenwerking heeft een positief effect op de kwaliteit van de zorg, maar blijkt nog niet eenvoudig. Verbetering van deze competenties vraagt expliciet aandacht binnen de huisartsopleiding. Het landelijke opleidingsplan voor huisartsen benoemt samenwerking, maar de competentie wordt niet concreet gemaakt. Het doel van deze studie is het opstellen van een eerstelijns interprofessioneel samenwerkingscompetentieprofiel voor huisartsen.

Onderzoeksvraag
“Welke competenties moet een huisarts bezitten om een competente interprofessionele samenwerker te zijn binnen de eerste lijn?”

Methode
Drie regionale bijeenkomsten worden georganiseerd waarin aan de hand van de nominale groepstechniek competenties geïdentificeerd en geprioriteerd worden. Bij elke bijeenkomst worden 7 tot 11 eerstelijns zorgprofessionals uitgenodigd met aandacht voor interprofessionele samenwerking tijdens patiëntenzorg, onderwijs, onderzoek en/of beleidsvorming. De deelnemers stellen hun persoonlijke top 5 samen uit de lijst van gegenereerde competenties. De stemmen worden opgeteld. Resultaat hiervan wordt beschouwd als de groepsconsensus. De competenties met minimaal 1 punt worden gebundeld. De resultaten uit de drie bijeenkomsten worden per e-mail aan de deelnemers teruggekoppeld, met de vraag om hieruit nogmaals een individuele top 5 samen te stellen. De overkoepelende consensus vormt de basis van het interprofessioneel samenwerkingscompetentieprofiel.

Resultaten
De bijeenkomsten vinden plaats in Maart 2019. Resultaten van de bijeenkomsten kunnen tijdens de NHG-wetenschapsdag worden gepresenteerd.

Conclusie
De studie biedt een interprofessioneel samenwerkingscompetentieprofiel voor huisartsen. Dit profiel zal het uitgangspunt vormen van de ontwikkeling van onderwijsondersteuning voor huisartsen in opleiding.

Hoe komt context huisarts-patiënt in de presentatie aan de orde?
Het onderzoek is onderdeel van een groter traject met als uiteindelijke doel om de interprofessionele samenwerkingscompetenties van huisartsen te verbeteren door middel van het ontwikkelen van onderwijsondersteuning. Het doel hiervan is beter geïntrigeerde, persoonlijk afgestemde, en hogere kwaliteit zorg voor patiënten.

Is studie reeds afgerond?
Nee, de studie is nog niet afgerond. De werving is gestart. De regionale groepsbijeenkomsten vinden plaats in maart 2019. In juni 2019 kunnen de resultaten en conclusies worden gepresenteerd.

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Dit onderzoek vindt plaats in de context van de eerste lijn over de samenwerking met eerstelijnsprofessionals. Er wordt gevraagd naar de mening van huisartsen (en andere zorgprofessionals) op basis van hun expertise.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Aan de aanwezigen willen we de volgende vragen voorleggen:
1) Welke competenties kunnen ondersteuning gebruiken tijdens het werkplekleren?
2) Welke situaties kunnen tijdens het werkplekleren benut worden in het leren van interprofessionele samenwerking?

Ilgin Arslan - Kwaliteitsindicatoren voor anderhalvelijnszorg van knie- en heupartrose: een systematische review

Quality indicators for intermediate care of knee and hip osteoarthritis: a systematic review

Inleiding
Knie- en heupartrose zijn de meest voorkomende oorzaken van musculoskeletale consultaties in de eerstelijnszorg. Een nieuwe zorgsetting voor knie- en heupartrose is de anderhalvelijnszorg, waarbij onder regie van de huisarts tweedelijns specialistische kennis in de eerstelijnssetting wordt ingebracht. Het doel van deze systematische review is het identificeren van kwaliteitsindicatoren voor de anderhalvelijnszorg voor knie- en heupartrose.

Methode
Een zoektocht werd uitgevoerd tot december 2017 in de medische databases MEDLINE (PubMed), EMBASE, CINAHL, Web of Science, Cochrane CENTRAL, Google Scholar, OpenGrey en Prospective Trial Register databases. Artikelen zijn dubbel en onafhankelijk gescreend en geïncludeerd als ze kwaliteitsindicatoren voor volwassenen met artrose en/of specifiek knie- en heupartrose hebben ontwikkeld en/of toegepast (indien ze hebben gekeken naar de haalbaarheid) in elke mogelijke zorgsetting. Data van geïncludeerde studies werden geëxtraheerd en een beschrijvende kwaliteitsbeoordeling werd uitgevoerd. Narratieve synthese werd uitgevoerd door kwaliteitsindicatoren te groeperen volgens het ‘structuur-proces-uitkomst’-raamwerk van Donabedian. Kwaliteitsindicatoren buiten de scope van deze review en dubbelen werden verwijderd en kwaliteitsindicatoren werden uniform geformuleerd. Een geschikte lijst voor anderhalvelijnszorg voor knie- en heupartrose werd gemaakt van de verzamelde kwaliteitsindicatoren en middels een gemodificeerde RAND-UCLA Appropriateness Method (RAM) door zorgverleners werkzaam in de anderhalvelijnszorg in Nederland beoordeeld op de volgende domeinen: haalbaarheid, bruikbaarheid, belang en validiteit. Op basis van deze beoordeling werden kwaliteitsindicatoren verwijderd, toegevoegd of aanpast door de reviewers middels vooraf gedefinieerde criteria om tot een een toepasbare set van kwaliteitsindicatoren voor de anderhalvelijnszorg voor knie- en heupartrose te komen. Het onderzoeksprotocol is geregistreerd in PROSPERO (CRD42018085041).

Resultaten
1447 artikelen werden geïdentificeerd uit de databases, waarvan 14 artikelen zijn geïncludeerd. De meeste artikelen bevatten alleen kwaliteitsindicatoren op procesniveau, wat de belangrijkste reden was voor een lage kwaliteitsbeoordeling. 163 kwaliteitsindicatoren zijn geëxtraheerd en gereduceerd tot 68 uniform geformuleerde kwaliteitsindicatoren. Hiervan werden 26 kwaliteitsindicatoren geselecteerd als geschikt voor de anderhalvelijnszorg voor knie- en heupartrose en beoordeeld door zes van de tien uitgenodigde zorgverleners tijdens de RAM. Analyse van deze resultaten resulteerde in 20 kwaliteitsindicatoren (Tabel 1), waarvan 17 op procesniveau, één op uitkomstniveau en één op structuurniveau.

Conclusie
Alle kwaliteitsindicatoren in de huidige literatuur gaat over eerstelijns- en tweedelijnszorg. Combineren van deskundig advies en literatuuronderzoek middels de RAM was daarom nodig om een toepasbare set voor anderhalvelijnszorg voor knie- en heupartrose te ontwikkelen. De uiteindelijke set kan worden gebruikt om de kwaliteit van de anderhalvelijnszorg voor knie- en heupartrose te meten en verbeteren op alle drie niveaus van de zorg.
Middels dit onderzoek hebben wij een set van kwaliteitsindicatoren ontwikkeld, waarmee wij het meten en verbeteren van de kwaliteit van de anderhalvelijnszorg mogelijk maken met als doel het leveren van zorg op maat: zorg die meer aangepast is aan de context van patiënten met knie- en heupartrose.

Is de studie reeds afgerond?
De studie is afgerond, maar moet nog gepubliceerd worden.

Is de studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in de huisartsenpopulatie?
De studie is uitgevoerd in samenwerking met huisartsen.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
In hoeverre denken huisartsen/onderzoekers dat deze uiteindelijke set zal worden toegepast in de huisartsenpraktijk?

Ellen Tameeris - Klinische reactietijd van anti-allergische medicatie bij kinderen met allergische rhinitis tijdens pollenpieken

Clinical response time of on demand anti-allergic medication in children with allergic rhinitis during pollen peaks

Inleiding
Allergische rhinitis (AR) is een veel voorkomende aandoening bij kinderen. De symptomen worden doorgaans medicamenteus behandeld gedurende het pollenseizoen. Veel jonge patiënten gebruiken de medicatie enkel wanneer klachten optreden. Er is weinig bekend over de klinische responstijd van zo-nodig medicatie. In deze studie werd de klinische respons van nasale en oculaire symptomen bij gebruik van intranasale corticosteroiden (INCS) (continue of zo nodig) en orale antihistamines vergeleken. Hierbij werd gekeken naar verlichting van de klachten en de hoeveelheid gebruikte medicatie in verhouding tot veranderingen in de pollenconcentratie.

Onderzoeksvraag
Is er bij een verandering van pollenconcentratie een verschil in de responstijd van symptoomverlichting bij diverse behandelstrategieën voor allergische rhinitis bij kinderen?

Methode
Kinderen met bewezen AR uit diverse huisartspraktijken en van poliklinieken kindergeneeskunde van het Maasstad ziekenhuis en de Kinderhaven werden gerandomiseerd in drie verschillende behandelgroepen: continue of zo-nodig gebruik van INCS en zo-nodig gebruik van orale antihistamines. In het pollenseizoen van 2013 en 2014 werden nasale en oculaire symptomen dagelijks gemeten door middel van dagboeken. De intensiteit van de klachten in de verschillende behandelgroepen werd vergeleken met de dagelijks gemeten pollenconcentratie. Daarnaast werd gekeken of er verschil was in de snelheid van stijging en daling in de klachtenintensiteit bij verandering van de pollenconcentratie.

Resultaat
Er zijn 150 patiënten geïncludeerd in de studie, 136 uit de huisartsenpraktijk en 14 vanuit poliklinieken. 50 patiënten ontvingen dagelijks INCS, 52 gebruikten INCS zo nodig en 48 patiënten werden gerandomiseerd in de antihistamine groep. Er waren geen significante verschillen in de baseline karakteristieken van de groepen. De gemiddelde leeftijd van de kinderen was 11.6 jaar bij aanvang van de studie, 52% van de onderzoekspopulatie waren jongens. Alle kinderen waren allergisch voor graspollen, 51% was ook gevoelig voor huisstofmijt, 59% was gesensibiliseerd voor berkenpollen. De gemiddelde symptoomscores (op een schaal van 0-20) waren 3.90 in de dagelijkse INCS groep, 3.26 in de INCS zo-nodig groep en 4.63 in de antihistaminegroep. De gemiddelde scores waren niet significant verschillend (p0.083)
Vergelijkingen tussen de symptoomscores en pollenconcentratie worden momenteel berekend. Met name de concentratie berkenpollen lijkt de klachtenintensiteit te beïnvloeden. Of er verschillen zijn tussen de behandelgroepen is nog niet bekend. Resultaten worden voor aanvang van de NHG wetenschapsdag verwacht.

Conclusie
Meer inzicht in de reactietijd van de verschillende behandelingen kan leiden tot betere zorg. Arts en patiënt kunnen de behandeling van AR beter aanpassen op de (verwachte) pollenconcentratie en daarmee anticiperen op te verwachten opvlammingen van de symptomen. Een beter afgepaste zo-nodig behandeling van AR met corticosteroïden kan leiden tot een lagere corticosteroïdconsumptie bij kinderen en lagere behandelkosten.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Denken huisartsen gebruik te kunnen maken van pollenvoorspellingen in het adviseren van (jonge) patiënten met AR?

Jonathan Bogaerts - Stopcriteria voor statines: wat staat er in de internationale richtlijnen?

Inleiding
Statines worden veelvuldig en vaak levenslang voorgeschreven ter preventie van hart- en vaatziekten (HVZ). Met het stijgen van de leeftijd (met name > 80 jaar) neemt de gezondheid af en doen nieuwe problemen zich voor. Bij artsen en patiënten leeft de vraag of, en zo ja wanneer statines gestopt kunnen/moeten worden op oudere leeftijd.

Onderzoeksvraag
Het doel van dit onderzoek is tweeledig.
1. Om een inzicht te krijgen in de stopcriteria van statines bij ouderen in de huidige richtlijnen over algemene cardiovasculaire preventie.
2. Een overzicht te creëren van specifieke aanbevelingen over de behandeling met statines bij ouderen.

Methode
Wij hebben een systematische search verricht in Pubmed, EMBASE, EMCARE en aanvullend in vijf verschillende online evidence-based richtlijnen databases (SIGN, NGC, GIN, CPC en UpToDate). Inclusie criteria waren: Engelstalige richtlijnen voor algemene preventie van HVZ die stopcriteria voor statines bevatten en van toepassing zijn op ouderen, gepubliceerd tussen januari 2008 en april 2018. In januari 2019 werd gezocht naar updates van de geïncludeerde richtlijnen. In de geïncludeerde richtlijnen hebben we ook naar specifieke aanbevelingen voor statinegebruik bij ouderen gezocht en deze samengevat middels informatie synthese. De kwaliteit van de richtlijnen werd met het AGREE II instrument beoordeeld.

Resultaat
Van de 31 geïncludeerde richtlijnen met adviezen over statines bevatten er 16 algemene stopcriteria. Deze stopcriteria konden in 3 groepen worden ingedeeld: 1) bij spierklachten, 2) bij verhoging van de levertransaminasen, 3) bij contra-indicaties. Geen van deze stop criteria waren specifiek benoemd voor ouderen. Veertien van deze 16 richtlijnen bevatten 1 of meer aanbevelingen over statine behandeling bij ouderen, meestal in algemene termen geformuleerd, zoals ‘houd rekening met de veranderende farmacokinetiek bij ouderen’ of ‘weeg de voor- en nadelen van statine behandeling tegen elkaar af’. Volgens de AGREE criteria waren 11 van de 16 richtlijnen van een redelijke tot goede kwaliteit.

Conclusie
Slechts circa de helft van de Engelstalige richtlijnen ter preventie van HVZ bevatten stopcriteria voor statinegebruik. Geen van de stopcriteria zijn specifiek voor ouderen. Wel bevatten de meeste richtlijnen algemene aanbevelingen voor de behandeling met statines maar deze zijn slechts afwegingsrichtingen en concrete gronden voor besluitvorming missen.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Wat is voor u een stopcriterium bij ouderen?

Anouk van den Berg - Het voorspellen van gesignaleerde psychosociale problemen bij basisschoolkinderen met jeugdgezondheidszorg data

Inleiding
Psychosociale problemen (PSP) komen veel voor onder kinderen, met een toenemende prevalentie op de basisschool. Bekend is dat PSP op de kinderleeftijd kunnen leiden tot onder andere een cognitieve ontwikkelingsachterstand, slechtere schoolprestaties en een verhoogde kans op een psychische diagnose als volwassene. Huisarts en jeugdgezondheidszorg vullen elkaar aan in de zorg voor kinderen. De huisarts ziet met name zieke kinderen en de jeugdarts monitort preventief de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling. Samen zien zij kinderen regelmatig, maar desondanks wordt de helft van de kinderen met PSP niet door hen herkend.

Onderzoeksvraag
Welke factoren, bekend bij de jeugdgezondheidszorg voor de start op de basisschool, voorspellen de aanwezigheid van een gesignaleerd psychosociaal probleem door de jeugdgezondheidszorg gedurende het eerstvolgende reguliere contactmoment op de basisschool (leeftijd 5-6 jaar)? In hoeverre voorspellen deze factoren een PSP bekend bij de huisarts op 5-6 jarige leeftijd?

Methode
Populatie-gebaseerd cohortonderzoek waarin een multivariabel predictiemodel voor de signalering van PSP werd opgesteld op basis van reguliere zorgdata van de jeugdgezondheidszorg (GGD regio Hollands Midden). Alle kinderen met een regulier contactmoment op 3-4 jarige leeftijd zonder eerdere signalen van PSP werden geïncludeerd. De uitkomst was een eerste signalering van PSP gebaseerd op of extra zorggebruik met indicatie PSP, of afwijkend psychosociaal functioneren of een afwijkende SDQ score. Mogelijke determinanten waren gerelateerd aan het kind (o.a. prematuriteit, etniciteit), ouder/gezin (o.a. scheiding, opleidingsniveau) en zorggebruik (o.a. extra contactmomenten).
Daarnaast werd het model vergeleken met een model waarbij de uitkomst gebaseerd werd op routine zorgdata van de huisartsen van dezelfde kinderen.

Resultaten
Van de 14571 kinderen met een regulier contactmoment voor de start van de basisschool had 24,2% een gesignaleerd PSP (leeftijd 5-6 jaar) en 50,6% van de populatie was man.

Conclusie
Op dit moment wordt de beschikbare data geanalyseerd. Nu moet blijken welke determinanten het signaleren van PSP goed voorspellen en of het predictiemodel de herkenning van PSP in de praktijk verbeterd.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Wat is voor u de meerwaarde van het ontvangen van informatie van de jeugdarts en welke informatie is bruikbaar voor u? Hoe ziet de huisarts de samenwerking met en het ontvangen van informatie van de jeugdarts om zo psychosociale problemen eerder te herkennen?

Is de studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in de huisartsenpopulatie?
De huisarts heeft samen met de jeugdarts de zorg voor kinderen in de algemene populatie. Zij beschikken elk over andere informatie en vullen elkaar daarmee aan. Samen hebben zij een vollediger beeld van het kind.

Is de studie reeds afgerond?
Nee, op dit moment zijn we bezig met de analyses die we verwachten in maart af te ronden.

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
De studie wordt uitgevoerd op basis van data van de jeugdgezondheidszorg van kinderen die een huisarts hebben in de regio Leiden. Het betreft een algemene/eerstelijnspopulatie.

Niels Crama - Plots ontstaan van floaters en de huidige NHG-Standaard Visusklachten

Inleiding
Lichtflitsen, gezichtsvelduitval, visusdaling en plots ontstaan van glasvochttroebelingen (floaters) kunnen een alarmsymtoom zijn van een achterste glasvochtloslating met retina defect of netvliesloslating. In de huidige NHG-Standaard Visusklachten ligt erg de nadruk op lichtflitsen. Plots ontstaan van glasvochttroeblingen in afwezigheid van één van de andere symptomen wordt ten onrechte niet als reden voor een spoedverwijzing aangemerkt.

Onderzoeksvraag
Toetsen of de huidige NHG-Standaard volstaat voor het doorsturen van patiënten met plot ontstane floaters.

Methode
We beschrijven drie casussen van patiënten die met klachten van acuut ontstane floaters de huisarts raadpleegden. Zij werden uiteindelijk laattijdig naar de oogarts verwezen met een netvliesloslating. Aan de hand van de literatuur presenteren we een overzicht van de symptomen voorafgaand aan een netvliesloslating en vergelijken we de huidige NHG-Standaard met de richtlijnen voor huisartsen in het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Australië.

Resultaten
Drie patiënten werden gediagnosticeerd met een netvliesloslating ten gevolge van een laattijdige verwijzing nadat ze bij de huisarts geweest waren met klachten van plots ontstane floaters zonder lichtflitsen. De huidige NHG-Standaard Visusklachten legt voornamelijk de nadruk op lichtflitsen, maar plots ontstane floaters zonder visusdaling, lichtflitsen of gezichtsvelduitval worden niet beschouwd als een reden voor urgente verwijzing naar de oogarts, in tegenstelling tot de richtlijn voor huisartsen in de andere landen waar plots ontstane floaters wel een reden zijn voor spoed verwijzing naar de oogarts, zelfs in afwezigheid van lichtflitsen.

Conclusie
Hoewel plots ontstane floaters zonder lichtflitsen of andere visuele klachten niet zeldzaam aan een netvliesloslating voorafgaan, beschouwt de NHG-Standaard deze niet als een reden voor urgente verwijzing naar de oogarts. Dit kan leiden tot een laattijdige diagnose van een netvliesdefect en netvliesloslating met mogelijk irreversibel visusverlies tot gevolg. Om deze reden wordt een aanpassing van deze NHG-Standaard geadviseerd.

Hoe komt de context huisarts-patient in de presentatie aan de orde?
De studie handelt over het herkennen van de juiste alarmsymptomen bij patiënten met presentatie van visusklachten en de rol van de NHG standaard daarbij.

Is de studie reeds afgerond?
Ja.

Is de studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Ja, het betreft een studie van patienten die zich presenteren bij de huisarts.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
Feedback van huisartsen uit de praktijk die tot verbetering van de NHG standaard “visusklachten” kan leiden, zodat vertraging in verwijzing van patiënten met een netvliesloslating tot een minimum wordt beperkt.

Jonathan Bogaerts - Een onderzoekspopulatie met dementie: dilemma's bij wilsonbekwaamheid

Inleiding
Op het moment dat bij ouderen met dementie de capaciteit om beslissingen te nemen verloren gaat, wordt dit overgenomen door een wettelijk vertegenwoordiger (WV). Deze wettelijk vertegenwoordiger kan een verwant(e) zijn, maar ook een mentor. Naast besluitvorming over dagelijkse zorg, wordt deze WV ook gevraagd te beslissen bij een uitnodiging voor deelname aan klinisch onderzoek. Wegens de behoefte aan verdere innovatie in dementiezorg, en de typische inclusiemoeilijkheden binnen dit onderzoeksveld, is een weloverwegen beslissing van de WV van essentieel belang.

Onderzoeksvragen
1. Welke thema’s spelen een rol bij WV’s van personen met dementie omtrent de participatie aan wetenschappelijk onderzoek?
2. Worden deze thema’s beïnvloed door een verwantschap tussen de persoon met dementie en zijn of haar wettelijk vertegenwoordiger?

Methode
Dataverzameling vond plaats met behulp van semigestructureerde interviews en focusgroep onderzoek. De verwante WV’s werden benaderd via een verpleeghuis in Den Haag. De niet-verwante WV’s werden geworven via een mentororganisatie. Middels een focusgroep met 5 leden van een ouderenberaad werden thema’s omtrent beslissen over wetenschappelijk onderzoek bij een naaste met dementie opgesteld. Vervolgens werden deze thema’s besproken in een eerste cyclus van interviews met 3 verwante en 3 niet-verwante WV’s. Ten slotte werd een tweede focusgroep met 6 leden van een ouderenberaad georganiseerd om de verzamelde data te interpreteren.

Resultaten – thema’s
WV’s gaven aan dat wetenschappelijk onderzoek bij personen met dementie in de eerste plaats gericht moet zijn op behoud van levenskwaliteit. Dit gold voor zowel verwante als niet-verwante WV’s. Daarnaast aarzelden WV’s, onafhankelijk van verwantschap, meer over de beslissingen over een bepaalde interventie in het kader van wetenschappelijk onderzoek dan in de dagelijkse zorg. De expliciete toestemming middels een informed consent bleek hierin een belangrijk punt. De behandelend arts van de oudere met dementie speelde een belangrijke adviserende rol. Niet-verwante WV’s benoemden het gebrek aan kennis over de persoonlijkheid van hun cliënt voorafgaand aan de dementie als een moeilijkheid bij het beslissen omtrent toestemming tot deelname aan onderzoek. Daarentegen beschreven verwante WV’s dit juist als voor hen belangrijke informatie om tot een goed besluit te komen.

Conclusie
Deze exploratieve studie bevestigt dat onderzoek bij personen met dementie volgens WV’s gericht moet zijn op behoud van levenskwaliteit. Het geven van toestemming voor deelname in de onderzoek setting geeft WVs meer onzekerheid dan het besluiten over keuzes in de dagelijkse zorg. Het kennen van de voorkeuren van de naaste met dementie geeft WV’s steun in het nemen van deze besluiten.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
De huisarts blijft het centrale aanspreekpunt voor ouderen met dementie en hun mantelzorgers tot in een zeer laat stadium. Wettelijk vertegenwoordigers mogen van hen een adviserende rol en een case-by-case standpunt over deelname aan wetenschappelijk onderzoek in deze erg kwetsbare populatie verwachten. Met welke aspecten uit medische zorg voor, of zelfs omtrent deelname aan wetenschappelijk onderzoek van, wilsonbekwame patiënten worden collega-huisartsen en –onderzoekers geconfronteerd?

Laptoppresentatie

Nienke van Gils - Telefarmacologie

Inleiding
Polyfarmacie is een groeiend probleem in de steeds ouder wordende populatie. In 2006 vond het HARM onderzoek plaats, een prospectieve studie naar geneesmiddel gerelateerde opnames en de potentiële vermijdbaarheid hiervan. Geëxtraheerd vanuit deze studie zouden in Nederland op jaarbasis 41.000 ziekenhuisopnames potentieel vermijdbaar zijn, een besparing van zo’ n 85 miljoen euro.
In navolging van deze studie werd het HARM-Wrestling rapport gepubliceerd met aanbevelingen voor de dagelijkse praktijk, met name op het gebied van regievoering en communicatie tussen zorgverleners (eerste en tweede lijn).
Het blijft een uitdaging om medicatiegebruik te optimaliseren voor de individuele patiënt, in de dagelijkse praktijk worden er barrières ervaren bij zowel het starten als staken van medicatie en bij dosisaanpassing.
In de literatuur is dit onder andere beschreven in recente studies over ‘predescribing’. Het doel van onze studie is allereerst deze barrières verder te onderzoeken in focusgroepen, we willen kijken in hoeverre telefarmacologie deze barrières zou kunnen slechten. Telecommunicatie is niet nieuw; we kennen dit reeds vanuit telenefrologie en teledermatologie. Telefarmacologie is een digitaal platform waarbinnen zowel communicatie mogelijk is tussen eerste en tweede lijn (huisarts en klinisch farmacoloog in het ziekenhuis), binnen de eerste lijn (huisarts en apotheker) en het kan dienen als expertfunctie.

Is de studie reeds afgerond?
Deze studie bevindt zich in de opstartende fase en is nog niet afgerond.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
De vraag die we zouden willen voorleggen aan bezoekers van de NHG-Wetenschapsdag zou voorbereidend zijn voor de focusgroepen; welke barrières ervaren we in de dagelijkse praktijk bij het starten/stoppen van medicatie of dosisaanpassingen? En zou telefarmacologie potentieel een oplossing kunnen bieden? Aan welke voorwaarden moet dit platform dan voldoen?

Posterpresentaties

Ilona Plug - Een framework voor het bestuderen van mannelijk en vrouwelijk taalgebruik in huisarts-patiëntgesprekken

In de gezondheidszorg worden regelmatig sekse- en genderverschillen gevonden, van verschillen in het rapporteren van symptomen en zoeken naar medische hulp, tot verschillen in behandeling, diagnose en verwijzingen. In dit onderzoek wordt vanuit een linguïstisch perspectief gekeken naar de rol van sekse en gender in de communicatie tussen huisartsen en patiënten met alledaagse lichamelijke klachten. Specifiek wordt onderzocht in hoeverre sprake is van stereotiep mannelijk en vrouwelijk taalgebruik in huisartsconsulten. Het doel van de huidige reviewstudie is in kaart te brengen welke talige elementen in de taalkundige en medische literatuur zijn beschreven als kenmerkend voor mannelijk en vrouwelijk taalgebruik.

Met deze reviewstudie creëren we een framework van stereotiep mannelijk en vrouwelijk taalgebruik voor het analyseren van het taalgebruik in arts-patiëntgesprekken. In zes elektronische databases uit het taalkundige en het medische domein is gezocht naar recente publicaties over mannelijk en vrouwelijk taalgebruik in diverse settingen. De studies die voldoen aan de inclusiecriteria zullen worden gesynthetiseerd. Dit zal resulteren in framework van talige elementen die volgens de taalkundige en medische literatuur kenmerkend zijn voor mannelijk of vrouwelijk taalgebruik. Vervolgonderzoek kan dit framework gebruiken om systematisch te onderzoeken of er in arts-patiëntgesprekken sprake is van stereotiep mannelijk en vrouwelijk taalgebruik, en om te bestuderen in hoeverre eventuele verschillen in taalgebruik samenhangen met relevante patiëntuitkomsten.

In dit onderzoek bestaat de context van de interactie uit de sekse en gender van de gesprekspartners en de talige elementen in de interactie zelf. De reviewstudie bediscussieert literatuur uit zowel het taalkundige als het medische domein en beperkt zich dus niet tot interactionele contexten binnen het medische domein. De reviewstudie is nog niet afgerond. Op dit moment zijn we bezig met de in- en exclusie van de gevonden studies. Tijdens de NHG-Wetenschapsdag zullen de resultaten van de reviewstudie gepresenteerd worden, inclusief een groot aantal voorbeelden van de talige elementen die in de literatuur worden beschreven. Aan de aanwezigen zouden we willen vragen of ze, op basis van de gepresenteerde resultaten, zelf ervaring hebben met verschillen in taalgebruik tussen mannen en vrouwen.

Sarah de Bever - Continuïteit van zorg: niet alleen maar voordelen. Hoe de patiënt - dokter relatie de patiëntenmix van de aios beïnvloedt

Introductie
Huisartsen in opleiding (aios) leren door te doen. Door het behandelen van patiënten verwerven zij de competenties die nodig zijn. Echter, de patiëntenmix van de aios sluit niet altijd aan op zijn leerbehoeftes. Een mogelijke oorzaak hiervan is dat patiënten niet altijd welwillend zijn om aios toe te laten in hun zorg. Hoewel veel studies gekeken hebben naar deze welwillendheid of patiënt tevredenheid, is er maar weinig bekend over de redenen achter deze meningen. Dit is jammer, omdat inzichten hierin handvatten kunnen bieden om de patiëntenmix van de aios beter te laten aansluiten bij zijn leerbehoeftes. In deze kwalitatieve studie hebben we patiënt perspectieven op het consulteren van de aios geëxploreerd.

Methode
We hebben 20 semigestructureerd interviews gehouden met patiënten uit 5 opleidingspraktijken. Deze praktijken waren minimaal 5 jaar opleidingspraktijk en gelieerd aan het AMC. Om maximale variatie te krijgen in perspectieven van patiënten hebben we gesampeld op de mate van welwillendheid om de aios te bezoeken. Data verzameling en analyse was iteratief, waarbij we open, axiale en thematische codering hebben toegepast tot er geen nieuwe thema’s naar boven kwamen.

(voorlopige) Resultaten
Patiënten hebben een positieve houding ten aanzien van aios. Echter, dit heeft nauwelijks invloed op het wel of niet consulteren van de aios. Deze afweging is sterk afhankelijk van de relatie tussen de patiënt en zijn eigen huisarts en is gekoppeld aan de aard van de klacht. Bij complexe of chronische aandoeningen hebben patiënten een voorkeur voor hun eigen huisarts, omdat deze de persoonlijke context van de patiënt kent en hierdoor zorgt voor continuïteit van zorg. Voor kleine kwalen of spoedeisende aandoeningen zijn toegankelijkheid en tijdigheid van de afspraak meer van belang, waardoor de patiënt eerder de aios zal bezoeken. Indien een bezoek aan de aios als positief ervaren is, zal de patiënt eerder opnieuw voor de aios te kiezen. Aios kunnen dit zelf beïnvloeden door aandacht voor de patiënt te hebben en een proactieve houding aan te nemen. Daarnaast kan kennis over de rol van de aios, zijn vaardigheden en over de supervisie patiënten bewegen om de aios te bezoeken.

Conclusie
Patiënten perspectieven op de aios hebben weinig invloed op patiënt zijn afweging om de aios te bezoeken. Patiënten kiezen voor de continuïteit van zorg die hun eigen huisarts kan bieden, met name bij chronische of complexe aandoeningen. Hierdoor zal de aios deze patiëntgroepen minder zien, waardoor er mogelijk een kennis lacune ontstaat. Echter, uit deze studie blijkt dat patiënten niet onwelwillend zijn om de aios te bezoeken en dat er gemakkelijk een relatie tussen aios en patiënt kan ontstaan. Dit is wel afhankelijk van de houding van de aios en de kennis van de patiënt over de aios. Deze uitkomsten bieden mogelijkheden om de huidige patiëntenmix van de aios verder te versterken.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
We zetten de patiënt en zijn relatie met de dokter centraal. We zijn bezig met de afronding en zouden graag feedback willen op de uitkomsten en een discussie houden over de mogelijkheden om bepaalde patiënten meer bij de aios te krijgen.

Isobel Avery-Phipps - Het perspectief van patiënten op pre-operatieve gezondheidsoptimalisatieprogramma's - een verkennende beoordeling

Patients’ perspectives of pre-operative health optimisation programmes – a scoping review

Inleiding
Pre-operatieve programma’s voor gezondheidsoptimalisatie zijn gericht op het verbeteren van de gezondheid van patiënten voordat ze worden geopereerd. Veel van deze programma’s zijn verplicht voor risicopatiënten en omvatten een operatie die wordt uitgesteld. Deze periode van gezondheidsoptimalisatie kan door patiënten positief of negatief worden beoordeeld. Deze scopingbeoordeling identificeert kwalitatieve literatuur over het perspectief van patiënten op pre-operatieve gezondheidsoptimalisatieprogramma’s.

Methoden
Een brede zoekstrategie werd gebruikt, waarbij varianten van de term “gezondheidsbevordering” werden gecombineerd met “pre-operatieve periode” en “kwalitatief onderzoek”. Dit werd gebruikt in twee databases: Medline via Ovid en Scopus. Resultaten werden gescreend op relevantie voor de onderzoeksvraag, met uitzondering van papers die verwezen naar interventies in de postoperatieve periode, of gezondheidsoptimalisatie zonder tussenkomst. De resterende papers werden vervolgens beoordeeld op hun kwaliteit met behulp van de CASP-checklist voor kwalitatief onderzoek. Deze papers werden ook diepgaand gelezen, onderzoeken voor gemeenschappelijke thema’s; bij het presenteren van de thema’s in de resultaten werd de kwaliteit van elk paper overwogen.

Resultaten
De zoekstrategie heeft 1232 artikelen opgehaald, waarvan 7 voor deze scopingbeoordeling. Het kritische beoordelingsproces toonde een groot vertrouwen in de bevindingen van drie van de papers, matig vertrouwen in nog eens drie, en een laag vertrouwen op een van hen. Er werden drie hoofdthema’s geïdentificeerd: 1) “De interventie is een middel om iets te verkrijgen dat de patiënt wil”, 2) “Persoonlijk verantwoordelijk voelen vergroot gevoelens van succes of falen”, en 3) “De geboden ondersteuning is niet altijd de gewenste ondersteuning “.

Conclusies
De studies die uit deze scopingbeoordeling werden geconcludeerd, waren gericht op pre-operatieve gezondheidsoptimalisatieprogramma’s die sterk varieerden in hun doelstellingen, doeleinden en ondersteuningsmethoden. Sommige verschillen in patiëntperspectieven kunnen hieraan worden toegeschreven. Desondanks waren er veel vergelijkbare thema’s tussen deze artikelen waaruit blijkt dat preoperatieve patiënten vergelijkbare wensen en opvattingen over leefstijlinterventies kunnen delen. Deze bevindingen bieden een kader voor een lopend interviewonderzoek naar de perspectieven van patiënten op een preoperatief programma voor optimalisatie van de algemene praktijk.

Tjard Schermer - Differences in Integral Health Status between Patients with COPD managed in Primary, Secondary, and Tertiary Care

Introduction
COPD is now recognized as a complex multisystem disease that poses a high burden on patients’ integral health status (IHS), i.e. it affects physical, emotional and social aspects and significantly lowers patients’ quality of life. To optimize and tailor COPD management in primary, secondary and tertiary care settings, there is a need for detailed information on the individual patient’s IHS.

Aim
To comprehensively assess and compare IHS between patients with COPD that are managed in these three care settings in the Netherlands.

Method
Cross sectional study in which data on IHS was collected in 289 patients with COPD from primary care, 184 patients from secondary care, and 443 patients from tertiary care. We used the Nijmegen Clinical Screening Instrument method (NCSI, see Peters JB, et al. Development of a battery of instruments for detailed measurement of health status in patients with COPD in routine care: the Nijmegen Clinical Screening Instrument. Qual Life Res 2009; 18(7):901-912) to comprehensively assess IHS in eight domains. The proportion of patients with clinically relevant impairment in the NCSI domains was calculated and compared between the three patient samples using Pearson Chi-square testing. p<0.05 was considered statistically significant.

Results
Statistically significant differences in the percentage of patients with clinically relevant impairment on the respective NCSI domains were seen between the three care settings (table).
The percentage of patients with clinically relevant impairment in ≥3 of the eight NCSI domains was 47% in the primary care sample, 71% in the secondary care sample, and 94% in the tertiary care sample (p<0.001).
Conclusion
The proportion of COPD patients with clinically relevant impaired IHS is substantial and varies between the different care settings. As expected, the highest percentage of IHS impairment was seen in tertiary care patients, but even in primary care one in every two COPD patients showed impairment in at least three IHS domains.

Hoe komt context huisarts – patiënt in de presentatie aan de orde?
Detailed information about integral health status helps general practitioners, chest physicians and multidisciplinary teams to optimize and tailor chronic care for COPD patients.

Is studie reeds afgerond?
Data collection and analyses have been finished.

Is studie uitgevoerd op basis van huisartsendata en/of in huisartsenpopulatie?
Yes, but also secondary and tertiary care data.

Wat wil je vragen aan de aanwezigen, wat wil je ophalen (request for feedback)?
What does the audience think of health status instrument (like the NCSI) use in chronic care?